Taalgrens   Taalwetgeving
Home     De geografische taalgrens  
      De sociale taalgrens  
  Een eeuw taalwetten
    Van taalwetten naar federalisme
 
 


Het Vlaamse verzet tegen het taalmonopolie van het Frans kwam langzaam op gang. Uiteindelijk zou de emancipatiestrijd ruim een eeuw duren.
Elke toegeving van de Franstalige elite moest moeizaam worden bevochten.
Naarmate het Nederlands aan macht en zelfbewustzijn won, werden de eisen van de leidende Vlaamse intellectuelen scherper.

 

Een bescheiden begin

Rond 1860 speelde het Nederlands in Vlaanderen zo goed als geen enkele maatschappelijke rol. Weliswaar werd het door 95 procent van de bevolking gesproken, maar die Nederlandssprekenden bezaten nauwelijks politieke of economische macht. Toen een handjevol Vlaamse intellectuelen taaleisen begon te formuleren, vielen die dan ook erg bescheiden uit. Eigenlijk vroegen ze niet meer dan dat het openbare leven in Vlaanderen niet uitsluitend in het Frans zou verlopen. De Vlamingen moesten het recht krijgen om ook in de eigen taal bestuurd, berecht en onderwezen te worden.
  De volgende generaties drongen aan op de erkenning van het Nederlands als een gelijkwaardige taal. België moest twee officiële bestuurstalen krijgen, vonden ze, en het moest ook daadwerkelijk in die twee talen worden bestuurd - niet alleen in Vlaanderen, maar ook in Wallonië. Als dat niet kon, moest Vlaanderen net als Wallonië uitgroeien tot een eentalig gebied.


België door en door tweetalig? 

In het onafhankelijke België vormden de Vlamingen de numerieke meerderheid. Het zou nog een hele tijd duren voor ze dat demografisch overwicht konden vertalen in politieke invloed. Dat hing onder meer samen met het beperkte stemrecht. Om het Nederlands in Vlaanderen als officiële taal te laten erkennen, was het handjevol voorstanders tot diep in de negentiende eeuw afhankelijk van Franstalige verkozenen. Die vonden de officiële erkenning van twee talen in één land maar niks. Het idee was staatsgevaarlijk en bedreigde de eenheid van het land.
  Bovendien waren veel Franstaligen beducht voor de sociaal-economische gevolgen van zo'n gelijkwaardigheid. Omdat het Frans in geheel België de staatstaal was, konden Walen die geen woord Nederlands begrepen in Vlaanderen toch worden benoemd als ambtenaar, rechter, leraar of officier in het leger. In een tweetalig België zouden de carrièrekansen van eentalige Walen natuurlijk een flinke knauw krijgen.


Het territorialiteitsbeginsel: eerst in Wallonië... 

Bovendien was het voor de Franstaligen ondenkbaar dat ook Wallonië tweetalig zou worden. Die regio was nu eenmaal eentalig Frans en moest dat ook blijven. Voor Wallonië hielden de Franstaligen daarom resoluut vast aan het territorialiteitsbeginsel: het principe dat op een afgebakend territorium één enkele officiële taal wordt gehanteerd. Het territorialiteitsbeginsel is dus gericht op taalhomogeniteit. Van inwijkelingen wordt verwacht dat ze moeite doen om de gebiedstaal te leren. Dat is nu eenmaal de beste manier om zich vlot in hun nieuwe taalgebied te integreren.
  De Franstaligen verzetten zich ertegen dat het territorialiteitsbeginsel ook in Vlaanderen zou gelden. Toch lag dat voor de hand: zoals in Wallonië de overgrote meerderheid van de bevolking Frans sprak, zo sprak in Vlaanderen de overgrote meerderheid Nederlands.


...daarna ook in Vlaanderen 

Toen de Franstaligen voor Wallonië kost wat kost bleven vasthouden aan het territorialiteitsbeginsel, gooiden de Vlamingen het roer om. Hun einddoel was niet meer de erkenning van het Nederlands naast het Frans, als een gelijkwaardige taal in een geheel en al tweetalig België. Vanaf het begin van deze eeuw eisten ze steeds luider dat het territorialiteitsprincipe ook in Vlaanderen zou worden toegepast. "Streektaal is bestuurstaal", het motto dat al in Wallonië gold, moest ook in Vlaanderen worden verwezenlijkt. Vlaanderen moest eentalig Nederlands worden.
  Uiteindelijk heeft dat territorialiteitsbeginsel het gehaald. De taalgrens, die in 1962-1963 definitief vorm kreeg, bakent eentalige taalgebieden af. Alleen het tweetalige Brussel vormt daarop een uitzondering.


Een eeuw taalwettten in vogelvlucht 

Het is onbegonnen werk om de hele evolutie van de taalwetgeving in België stap voor stap te reconstrueren. We bekijken hier alleen enkele mijlpalen. In 1873 werd een begin gemaakt met de vernederlandsing van het gerecht: in strafzaken mocht in Vlaanderen Nederlands worden gebruikt. In 1878 kwam er een bescheiden taalwet voor het bestuur. In 1883 deed het Nederlands in Vlaanderen zijn intrede in het middelbaar onderwijs. Dat bleef wel Franstalig, maar een beperkt aantal vakken mocht toch ook al in het Nederlands worden onderwezen. Meteen werd het Nederlands in Vlaanderen formeel als cultuurtaal erkend.


Nederlands in het hoger onderwijs 

De Gelijkheidswet (1898) erkende het Nederlands als officiële rijkstaal, gelijk aan het Frans. Voortaan mochten de wetten in het Nederlands worden gestemd, bekrachtigd en afgekondigd. Wallonië bleef eentalig Frans, Vlaanderen bleef tweetalig. De taalgelijkheid gold overigens niet voor alle domeinen: het leger en de diplomatie bleven eentalig Frans. Bovendien bleef het Frans ook in Vlaanderen en Brussel de taal van de maatschappelijke elite. Nergens in Vlaanderen kon je universitaire studies in het Nederlands volgen. In de eerste decennia van deze eeuw concentreerde de Vlaamse strijd zich daarom op de vernederlandsing van de rijksuniversiteit in Gent. Die strijd werd in 1930 gewonnen. Maar het zou nog tot 1968 duren voor de eeuwenoude Vlaamse universiteit van Leuven eentalig Nederlands was.


"Streektaal bestuurstaal" 

In 1921 werd België opgedeeld in twee eentalige gebieden - Vlaanderen en Wallonië - en een tweetalig gebied (Brussel). De taal van het gebied moest voortaan ook de bestuurstaal zijn. Dat leidde in vele Vlaamse gemeenten tot een radicale vernederlandsing. Het territorialiteitsbeginsel, dat in Wallonië allang werkelijkheid was, werd in Vlaanderen niet volledig doorgevoerd. De Franstalige minderheid kon op een verregaande bescherming blijven rekenen. De politieke elite van het land erkende dus wel dat Vlaanderen een volwaardige taal en cultuur bezat, maar bleef de Franstalige burgerij in de Vlaamse steden taalrechten waarborgen.
  In 1932 werd de taalwetgeving helemaal geschoeid op het territorialiteitsbeginsel. De regel "streektaal is bestuurstaal" gold voortaan ook in Vlaanderen. In alle Vlaamse lagere en middelbare scholen werd het Nederlands de onderwijstaal. Als overgangsmaatregel bleven in een aantal Vlaamse steden bijzondere scholen voor Franstaligen bestaan.


Talentellingen 

Toch waren er nog problemen. De taalgrens lag nog altijd niet vast. Om de tien jaar kon ze worden aangepast aan de resultaten van de talentellingen. Die aanpassingen gebeurden nagenoeg altijd in het nadeel van de Nederlandstaligen.


De taalwetgeving krijgt vaste vorm 

Na de Tweede Wereldoorlog kwam de taalwetgeving in een definitieve plooi. Vlaanderen kon zijn demografisch overwicht stilaan in politieke macht vertalen. Daarvan maakten de Vlaamse politici gebruik om in Vlaanderen de volstrekt eentaligheid in te voeren. Om die eentaligheid te beschermen, moest de taalgrens definitief worden vastgelegd. Het systeem van de talentellingen hield immers de deur open voor verfransing aan de taalgrens en rond Brussel. Een stabiele taalgrens zou conflicten voorkomen.
  Na onderhandelingen tussen Franstalige en Nederlandstalige politici werd in 1962 de taalgrens vastgelegd.
 
De vier taalgebieden in België
   Nederlandstalig
   Franstalig
   Duitstalig
   Tweetalig Nederlands-Frans

De talentellingen waren al in 1961 afgeschaft. Voortaan kon de taalgrens alleen nog worden gewijzigd door een parlementaire meerderheid. Meteen kon België worden ingedeeld in vier taalgebieden: het Nederlandse (Vlaanderen), het Franse (Wallonië), het Duitse (een gebied aan de Duitse grens) en een tweetalig Frans-Nederlands gebied (de 19 gemeenten van Brussel). Aan weerszijden van de taalgrens kregen gemeenten die men tot dan toe als tweetalig beschouwde voortaan een eentalig statuut. Tijdens de onderhandelingen werden overigens enkele grenscorrecties aangebracht. Komen en Moeskroen verhuisden naar Wallonië, zes gemeenten in de Voerstreek verhuisden naar Vlaanderen.

 


Taalfaciliteiten 

Meteen leek het territorialiteitsbeginsel helemaal te zijn gerealiseerd. De overgangsklassen voor Franstaligen in Vlaanderen werden opgeheven: voortaan werd iedereen in het Nederlands onderwezen. Ondernemingen werden verplicht de officiële taal van de regio te gebruiken in hun relaties met het personeel en met de overheid.
  Toch bleef een uitzondering op de strikte toepassing van het territorialiteitsbeginsel bestaan. Een aantal gemeenten aan weerzijden van de taalgrens en in de Vlaamse rand rond Brussel kreeg een bijzonder taalstatuut. Anderstalige inwoners genieten daar zogenaamde taalfaciliteiten. Als ze dat wensen, kunnen ze de communicatie met hun overheden in hun eigen taal laten verlopen. In de Vlaamse rand rond Brussel kunnen de Franstaligen dus vragen dat ze allerlei documenten in het Frans toegestuurd krijgen. Ook kan voor hen lager onderwijs worden georganiseerd.


E-mail : info@vlaanderen.be
© 1999 ministerie van de Vlaamse Gemeenschap