-

methodiek > detail

-

  planologische toestand bepalen:

optie uit de woningprogrammatie van een ontwerp-gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen volgende mogelijkheden:

  1. te ontwikkelen op korte termijn (vóór 2007)
  2. te ontwikkelen op middellange termijn (in de periode 2007 tot 2012)
  3. te ontwikkelen op lange termijn (na 2012)
  4. reeds gerealiseerd of als gerealiseerd te beschouwen
  5. niet opgenomen in de woningprogrammatie
  6. onduidelijk wat de optie is (vb. wanneer aan te snijden)
  7. niet te ontwikkelen, te reserveren, bevriezen, ...
  8. te herbestemmen (naar een niet-woonfunctie, vb. open ruimte)
  9. ontwikkeling niet mogelijk omwille van uitgesloten van goedkeuring

reeds principieel akkoord toegestaan

Via toepassing van de omzendbrief RO 2002/03 van 25/10/2002 zijn op heden al verschillende woonuitbreidingsgebieden of delen ervan principieel vrijgegeven voor bebouwing.  Ze zijn in de ATLAS aangeduid met de overdruk PRIAK (gunstig: of ongunstig: ).  

Opgelet: aan deze principiële akkoorden kunnen voorwaarden verbonden zijn (vb. realiseren sociale mix, dichtheden, fasering, geldigheid gedurende slechts een bepaalde periode, opmaak van een BPA enz.).  Raadpleeg steeds de beslissingen van de Bestendige deputatie om de precieze voorwaarden te kennen.  De ATLAS ontheft de ontwikkelaar niet van deze voorwaarden.  

reeds vrijgegeven in het kader van de advisering van een gemeentelijke woningbehoeftestudie

Via de toepassing van de omzendbrief RO 1997/03 zijn op heden al verschillende woonuitbreidingsgebieden of delen ervan principieel vrijgegeven voor bebouwing.  Ze zijn in de ATLAS aangeduid met de overdruk 'wbs' ().  De omzendbrief is niet meer geldig en vervangen door de omzendbrief RO 2002/03.  

reeds vrijgegeven in het kader van uitzonderingsmaatregelen

Via de toepassing van het rondschrijven van de heer voormalig minister Baldewijns van 31/7/1998 aan de VHM zijn op heden al verschillende woonuitbreidingsgebieden of delen ervan principieel vrijgegeven voor bebouwing.  Het betreft alle gronden in eigendom van de VHM of SHM.  Ze zijn in de ATLAS aangeduid met de overdruk UIT ().  

optie uit de woningprogammatie in het kader van de afbakening van een stedelijk gebied

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen volgende mogelijkheden:

  1. te ontwikkelen voor woningbouw (al dan niet prioritair of als reserve)
  2. reeds gerealiseerd of als gerealiseerd te beschouwen
  3. niet opgenomen in de woningprogrammatie
  4. nog onduidelijk wat de optie is
  5. niet te ontwikkelen, te reserveren, bevriezen, ...
  6. te herbestemmen (naar een niet-woonfunctie, vb. open ruimte)

aanduiden van de restpercelen

De omzendbrief van minister Van Mechelen van 24 januari 2003 geeft aan wat bedoeld wordt met restpercelen.  Men onderscheid twee soorten ():

  1. restpercelen gelegen aan een uitgeruste weg: ontwikkeling ervan mag niet leiden tot lintbebouwing; de gezamenlijke lengte mag niet breder zijn dan 100 m langsheen de straat.  

  2. restpercelen die nog niet uitgerust zijn met wegenis: hun omvang is beperkt tot 0,5 ha.  Indien er meerdere dergelijke gebieden in een woonuitbreidingsgebied voorkomen, mag hun gezamenlijke omvang niet meer bedragen dan de helft van de oppervlakte van het woonuitbreidingsgebied.  

Restpercelen zijn per definitie nog niet verkaveld of niet bestemd via een plan van aanleg (BPA, RUP, APA). 

De ATLAS maakt een selectie van gronden die kunnen beschouwd worden als restperceel.  Om de bepalingen van het rondschrijven toe te passen is volgend schema gebruikt: 

 ik wil een voorbeeld zien van de toepassing van dit schema ...

Opgelet: de ATLAS doet geen uitspraak over de opportuniteit van het laten bebouwen ervan (vb. speelpleintje verwijderen voor een woonwijk enz.). 

aanduiden van de gebieden die watergevoelig zijn

Indien gebieden, die nog niet geordend zijn (APA, BPA, RUP, verkaveling), gelegen zijn binnen de contour van de MOG-ROG gebieden, dan worden ze aangeduid als waterrijk gebied.  Ze komen dan niet in aanmerking om te ontwikkelen voor woningbouw.  MOG-ROG duidt op enerzijds gemodelleerde en anderzijds recent overstroomde gebieden volgens de kartering van de afdeling Water (toestand 2003 (thans meest recent beschikbare gegevens)).  

Enkel indien het gebied grotendeels gevat is door deze contouren, worden de woonuitbreidingsgebieden als waterrijk aangeduid.  Aangezien deze kaarten op een ander schaalniveau werden opgesteld is tevens enige interpretatie nodig.  

ik wil hier een voorbeeld van zien ... 

aanduiden van de gebieden die niet gelegen zijn in een geselecteerde kern of die niet gelegen zijn in een  stedelijk gebied

Het betreft gebieden die niet gelegen zijn in een kern zoals die geselecteerd is door de provincie in haar provinciaal ruimtelijk structuurplan.  Met kern wordt elk niveau van kern bedoeld; deze kan verschillen van provincie tot provincie (vb. woonkern, hoofddorp, kusthoofddorp, structuurondersteunend hoofddorp, ...). 

Het RSV stelt dat de woonbehoeften opgevangen worden in de woonkernen, hoofddorpen en stedelijke gebieden.  Ontwikkeling erbuiten wordt tegen gegaan.  De provincie selecteert in haar provinciaal ruimtelijk structuurplan welke woonkernen en hoofddorpen hiervoor in aanmerking komen.  Zij kan daarbij diverse types van woonkernen en hoofddorpen aanduiden.  De stedelijke gebieden zijn opgelijst in het RSV en worden door het gewest en de provincie afgebakend.  Voor de gebieden die buiten de stedelijke gebieden vallen wordt nagegaan of ze in een door de provincie geselecteerde kern behoren.  De selectie van de kernen kan u nalezen in de provinciale ruimtelijke structuurplannen.  Zie lijst.     

Indien een woonuitbreidingsgebied niet gelegen is een door de provincie geselecteerde kern, dan wordt dit gebied in de ATLAS aangeduid als niet te ontwikkelen (), ook al ligt het gebied relatief gezien inbreidingsgericht ten opzichte van het aanwezige dorpje.  Enkel indien het gebied al vrijgegeven is op basis van een BPA, APA, RUP of verkaveling, of via andere plannen (GRS, PRIAK, WBS), komt het nog in aanmerking voor bebouwing.  

In West-Vlaanderen komen “meervoudige hoofddorpen” voor, in Oost-Vlaanderen “meerkernige hoofddorpen”.  In beide gevallen gaat het om een cluster van kernen die samen het statuut hoofddorp krijgen, maar daar individueel te klein voor zijn.  Bij de opmaak van de ATLAS wordt er voorlopig van uit gegaan dat elk van de kernen geselecteerd is.  Daardoor komt het veelvuldig voor dat de aldaar gelegen woonuitbreidingsgebieden in de ATLAS zijn aangeduid als 'verder te onderzoeken'.  Bij dat onderzoek zal rekening moeten gehouden worden met de rol die deze kernen opnemen binnen de selectie van meervoudig of meerkernig hoofddorp.  In de praktijk kan dat betekenen dat in sommige van die kernen wel woonuitbreiding wordt voorzien en in andere niet.  

Daarnaast komen in de meeste provincies bi- of tripolaire “gewone” hoofddorpen en woonkernen voor (bv. Oudenburg-Ettelgem, Brecht-Sint-Lenaarts, Haaltert-Kerksken-Ede).  Dit zijn in feite gelijkaardige gevallen, maar zonder speciaal statuut.  Zij worden beschouwd als één kern, weliswaar met een dubbele naam; in de ATLAS wordt daarmee rekening gehouden.  Meestal zijn de deelkernen van dit soort hoofddorpen of woonkernen morfologisch met elkaar vergroeid, wat bij de meervoudige zeker niet en bij de meerkernige hoofddorpen meestal niet het geval is.

Het provinciaal ruimtelijk structuurplan Antwerpen duidt de hoofddorpen en woonkernen niet  aan, maar geeft enkel het statuut van de gemeente aan, bv. “gemeente met een hoofddorp type II”. De gemeente kan in haar GRS bepalen welke van de in het provinciaal ruimtelijk structuurplan geselecteerde kernen binnen haar grondgebied het statuut “hoofddorp” krijgt; de anderen worden dan automatisch “woonkernen”. Bij de gemeenten zonder goedgekeurd GRS werd de selectie van het provinciaal ruimtelijk structuurplan gevolgd zoals vermeld blz. 193. 

ik wil hier een voorbeeldje van zien ... 

aanduiden van de gebieden die niet inbreidingsgericht zijn

Een gebied wordt als niet inbreidingsgericht beschouwd indien het tegelijkertijd niet voldoet aan drie voorwaarden:

  1. afstand tot het centrum van de  woonkern is beperkt

  2. de omvang of schaal van het gebied is beperkt in verhouding tot de grootte van de woonkern

  3. het gebied is omsloten door bebouwing; het sluit niet aan op de open ruimte

Om dit objectief te bepalen is in eerste instantie een aantal indices berekend:

  1. schaalindex

  2. inbreidingsindex

  3. kernversterkingssindex

Indien niet tegelijkertijd aan alle drie de indices is voldaan, dan geeft de ATLAS aan dat het gebied niet wordt vrijgegeven voor bebouwing ().  

Zodoende kan een selectie van gebieden gemaakt worden die als niet-inbreidingsgericht worden aanzien.  Aangezien bij dergelijke kwantitatieve benadering enkele aannames worden gemaakt (vb. met compacte woonkernen vs. langgerekte dorpen wordt weinig rekening gehouden), zijn alle gebieden achteraf nog eens bijkomend aan een controle onderworpen.  Twijfelgevallen werden voor de voorzichtigheid niet in de categorie als niet te ontwikkelen gezet, maar verder in de afweging meegenomen.  Deze aanpak voorkomt dat willekeurig of onterecht gebieden zouden aangeduid worden als niet inbreidingsgericht.  De controle werd gedaan door een veelkoppig team van geregistreerde ruimtelijke planners en gewestelijk planologisch ambtenaren. 

ik wil hier voorbeeldjes van zien ... 

aanduiden van de gebieden die verder te onderzoeken zijn

Indien geen van vorige gevallen van toepassing zijn, dan worden de gebieden in de ATLAS aangeduid als verder te onderzoeken ().  

Dit betekent dat in het kader van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan kan onderzocht worden of het gebied al dan niet in aanmerking komt voor bebouwing en onder welke voorwaarden (tijdstip, doelgroep, fasering, dichtheden, behoeften, ...).  

 terug naar top

- terug naar methodiek -