Het aantal sociale koopwoningen en kavels kent in tegenstelling tot het aantal sociale huurwoningen geen eenduidige berekening per gemeente. Het decreet voorziet enkel in een provinciale doelstelling. Dit provinciale cijfer zal door de deputatie verder verdeeld worden onder de verschillende gemeenten. Hierbij gelden drie principes.
De gemeente voorziet in een gemeentelijk advies aan de deputatie omtrent het aantal sociale koopwoningen en kavels dat ze als doelstelling wil realiseren. Dit gemeentelijk doel wordt geformuleerd na een lokaal woonoverleg en houdt rekening met de sociale woonbehoefte, de ruimtelijke structuur en de lokale contextfactoren.
De provincie stelt een verdelingschema van zijn provinciale doelstelling op. Hierbij wordt rekening gehouden met enerzijds het gemeentelijk advies en anderzijds de provinciale doelstellingen inzake bijkomende woningen in stedelijk gebied versus het buitengebied.
De provinciale doelstellingen volgens het decreet zijn als volgt verdeeld:
|
Sociale koopwoningen |
Sociale kavels |
Provincie Antwerpen |
5.782 |
275 |
Provincie Limburg |
3.150 |
150 |
Provincie Oost-Vlaanderen |
4.727 |
225 |
Provincie Vlaams-Brabant |
3.495 |
167 |
Provincie West-Vlaanderen |
3.846 |
183 |
De provinciale doelstellingen houden rekening met Limburgplan. Volgens dit plan moet 15% van de te realiseren sociale koopwoningen en kavels in Vlaanderen in Limburg worden gerealiseerd. De overige provinciale doelstellingen vormen een verdeling volgens het aantal huishoudens in die provincie.
Voor zowel de sociale koopwoningen als de sociale kavels wordt een minimaal aandeel te realiseren sociale koopwoningen enerzijds en sociale kavels anderzijds voorbehouden aan sociale huisvestingsmaatschappijen en gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Dit minimaal aandeel bedraagt 17.000 koopwoningen en 1000 kavels, zoals bepaald in het decreet.