ruimtelijke ordening > handhaving > arrest arbitragehof

welke gevolgen heeft het Arrest van het Arbitragehof inzake het handhavingsbeleid?

In een recent arrest van het Arbitragehof (dat dateert van 23 november 2004) werd gesteld dat het "oordeel van het Arbitragehof niet onverenigbaar is met de wil van de decreetgever, zoals bepaald in voormeld (d.i. het gewijzigde) artikel 146, derde lid, om behoudens de gevallen bepaald in dit artikel, de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid … niet verder te doen gelden; dat, mede in acht genomen de door het Arbitragehof vastgestelde schendingen van de Grondwet, voormelde wetbepalingen in zoverre haar rechtskracht behoudt". Hierdoor was echter geen afdoende rechtszekerheid tot stand gebracht. Betreffende rechtszekerheid kwam er via arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005.

Via voormeld arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 vernietigt het Arbitragehof in het beschikkend gedeelte enkele woorden en zinsdelen van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft.

Het Hof oordeelde dat de omschrijvingen ‘onaanvaardbare hinder’ en ‘ernstige inbreuken’ op zich niet de grondslag kunnen vormen van een misdrijf, zonder een ontoelaatbare onzekerheid te creëren. De ligging in kwetsbaar gebied blijft wel een uitzonderingsgrond voor de verjaring van bouwmisdrijven, omdat dit begrip een voldoende nauwkeurige normatieve inhoud heeft om een misdrijf te kunnen definiëren. De instandhouding van bouwmisdrijven in dergelijk gebied blijft derhalve strafbaar.

Onder de ruimtelijk kwetsbare gebieden worden verstaan de groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, parkgebieden, bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologische waarde of belang, agrarische gebieden met bijzondere waarde, grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in ontwikkeling en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen in ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg, alsook de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen.

Verder wordt de spildatum die het voormelde decreet van 4 juni 2003 invoerde, nl. 1 mei 2000, eveneens vernietigd door het Arbitragehof-arrest nr. 14/2005. Het onderscheid dat op deze datum gebaseerd was wordt ongrondwettelijk bevonden wegens een schending van het gelijkheidsbeginsel. Volgens het Arbitragehof blijkt niet in welk opzicht voor inbreuken die vóór 1 mei 2000 zijn gepleegd een grotere behoefte aan een coherent herstelbeleid zou bestaan dan voor de inbreuken die na die datum zijn gepleegd. De bedoelde vernietiging van de spildatum houdt in dat voor alle bouwmisdrijven, zowel deze van vóór als na 1 mei 2000, het voorafgaand advies van de Hoge Raad van het Herstelbeleid vereist wordt in het kader van de herstelvordering.

Dit betekent eveneens dat het middel van de meerwaarde voor alle bouwmisdrijven, zowel deze van vóór als na 1 mei 2000, in principe kan aangewend worden, behalve in één van de in art. 149, §1, DRO opgesomde gevallen. Dit betekent verder dat thans voor alle bouwmisdrijven, zowel deze van vóór als na 1 mei 2000, de ambtshalve uitvoering door de stedenbouwkundige inspecteur slechts kan worden opgestart na het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Dit geldt dus niet voor gemeentebesturen of derde-benadeelden. Vanzelfsprekend dient hierbij rekening gehouden te worden met art. 198bis DRO, dat bepaalt dat de bepalingen m.b.t. het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid (…) pas in werking treden nadat deze Raad is opgericht en het huishoudelijk reglement is goedgekeurd. Tenslotte heeft het Arbitragehof de bepaling vernietigd waarbij de minnelijke meerwaarden geldig werden geacht, die werden gevorderd en betaald zonder voorafgaande veroordeling door een rechtbank (voorzover de algehele betaling ervan dateert van voor 1 mei 2000). Deze bepaling doet volgens het Hof immers afbreuk aan de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken waarbij de zonder rechterlijk optreden opgelegde herstelmaatregelen onwettig werden verklaard. Omwille van de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel wordt aldus ook het bedoelde art. 149, §5, vierde lid DRO vernietigd.

Voor de decreetstekst na het Arrest van het Arbitragehof klikt u hier.


>> terug naar startpagina handhaving