U bent hier: Vlaanderen.be Landbouw en Visserij Premies & subsidies Investeringssteun


punt

Investeringssteun

Vlaams Landbouwinvesteringsfonds - VLIF

Steun voor vestiging en investeringen / Startsteun voor groeperingen

Inleiding
Algemene voorwaarden voor het verkrijgen van steun
Vormen van steun
Steun aan de vestiging
Steun aan de investeringen
Steun aan sociale instellingen en consumentencoöperaties
Steun aan nieuwe groeperingen
Aanvragen van VLIF-steun

Steun aan investeringen

De investeringssteun wordt verleend voor investeringen die gericht zijn op een:

  • verlaging van de productiekosten;
  • verbetering en omschakeling van de productie;
  • verhoging van de kwaliteit;
  • verbetering van het leefmilieu, de hygiënische omstandigheden en/of de normen op het gebied van welzijn van de dieren;
  • bevordering van de diversificatie van de activiteiten op het landbouwbedrijf.

Investeringssteun mag niet in strijd zijn met het beleid op andere vlakken (markt­politiek, milieubeleid, ...) en mag de doelstellingen hiervan niet doorkruisen.

Een investering moet planmatig aangepakt worden. Met een bedrijfsplan moet aangetoond worden dat de investeringen verant­woord zijn in het licht van de toestand en van de structuur van het bedrijf en dat de uitvoering van het plan zal leiden tot een duurzame verbetering van deze toestand. Een bedrijfsplan bestaat uit een aantal onderdelen. Bij het opstellen ervan speelt de landbouwer een belangrijke rol. Hij brengt alle basisgegevens aan voor dit plan.

Vorm en omvang van de steun

De steun kan verkregen worden onder vorm van rentesubsidie en/of kapitaalpremie naargelang de financiering van de investeringen. De omvang ervan is onafhankelijk van de financiering en kan 10 % tot 40 % van de investering bedragen.

De steun voor investeringen gefinancierd met een lening wordt verleend onder de vorm van een rentesubsidie aangevuld met een investeringspremie, zodat het vooropgestelde volume steun effectief verkregen wordt. In de mate dat er minder of op korte termijn geleend wordt, zal een groter deel van de steun als kapitaalpremie uitbetaald worden.

De steun voor investeringen gefinancierd met eigen middelen wordt verleend onder de vorm van een investeringspremie.

Bij de toekenning van de steun zal de rentesubsidie voorrang hebben op de inves­teringspremie. De rentesubsidie bedraagt maximaal 4 % gedurende maximaal 15 jaar voor investeringen die van 40 of 30 % steun genieten, 3 % gedurende maximaal 15 jaar voor investeringen die van 20 genieten en 3 % gedurende maximaal 5 jaar voor investeringen die van 10 % steun genieten.

In de periode 2000-2006 kan de investeringssteun maximaal verkregen worden op een investeringsbedrag van 500.000 € per VAK en 1.000.000 € per bedrijf. Vanaf 1 januari 2007 en in een voort­schrijdende periode van 7 jaren kan de investeringssteun maxi­maal verkregen worden op een investeringsbedrag van 1.000.000 € per bedrijfs­leider.

Het subsidiabele bedrag wordt beperkt tot een maximumbedrag per standplaats voor het vee of per m² bedrijfsgebouw. De maximumbedragen zijn weergegeven in bijlage 1.

PDF-document Bijlage 1 (PDF-document)

Subsidiabele investeringen

De aard van de investering is bepalend voor de omvang van de steun.

Investeringen gericht op een landbouw met verbrede doelstellingen (zelf verwerken en commercialiseren, hoevetoerisme, landschapsbeheer, zorgverstrekking) en duurzame productiemethodes (bepaalde milieu-investeringen en biologische landbouw) genieten van 40 % steun.

Investeringen gericht op de bereiding van samengestelde voeders op basis van zelf geteelde basisproducten, installaties en materieel voor de productie en het gebruik van hernieuwbare brandstoffen, installaties en materieel voor de productie van medicinale en aromatische planten en de vernieuwing van laagstam fruitaanplantin­gen met nieuwe variëteiten, genieten van 30 % steun.

Alle andere investeringen genieten van maximaal 20 % steun (vnl. investeringen in onroerende goederen, gericht op de realisatie van een structuurverbetering) of 10 % steun (vnl. materieel).

De lijst met subsidiabele investeringen is opgenomen in bijlage 2.

PDF-document Bijlage 2 (PDF-document)

Bijzondere voorwaarden

In de melkveesector zijn alle investeringen subsidiabel wanneer het bedrijf na uitvoering van de investeringen over voldoende melkquotum beschikt d.w.z. een melkquotum dat in een redelijke verhouding staat tot het aantal plaatsen voor melkkoeien. Proportionele steun is mogelijk voor zover de investering nog economisch verantwoord is op middellange termijn. Investeringen in de melkveesector zijn verbonden met het houden van melkkoeien en het bijhorende jongvee.

In de varkenssector zijn investeringen die niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit subsidiabel wanneer ze gericht zijn op:

  • zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten;
  • hoevetoerisme en landschapsbeheer;
  • de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren;
  • biologische landbouw;
  • het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme varkensstal die voorkomt op de lijst van ammoniak­emissie­arme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de zeugenhouderij gebeurt in combinatie met een omschakeling naar groepshuisvesting;
  • het verbouwen en uitrusten van een bestaande zeugenstal naar een stal met groepshuisvesting.

Uitbreidingsinvesteringen of investeringen die niet kunnen gerangschikt worden in een van de opgesomde rubrieken zijn niet subsidiabel. Het betreft ondermeer de aankoop van bestaande varkensstallen, de herinrichting van varkens­stallen (uitgezonderd verbeteren dierenwelzijn, leefmilieu en hygiëne), de overname van een varkensbedrijf dat niet in gebruik was, het bouwen van niet ammoniakemissiearme stallen, afzonderlijke mestopslagplaatsen, meelsilo’s…. Over voldoende emissierechten beschikken is belangrijk maar proportionele steun is mogelijk.

In de pluimveesector zijn investeringen die niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit subsidiabel wanneer ze gericht zijn op:

  • zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten;
  • hoevetoerisme en landschapsbeheer;
  • de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren;
  • biologische landbouw;
  • het bouwen van een nieuwe ammoniakemissiearme pluimveestal die voorkomt op de lijst van ammoniakemissie­arme stallen in uitvoering van het VLAREM, voor zover dit in de legkippenhouderij gebeurt in combinatie met huisvesting in aangepaste kooien, volièrehuisvesting of grondhuisvesting;
  • het verbouwen en uitrusten van een bestaande legkippenstal naar een stal met huisvesting in aangepaste kooien, volièrehuisvesting of grondhuisvesting.

Omschakelingen naar een andere subsector binnen de pluim­veesector worden niet gerangschikt als uitbreidingsinvesteringen indien de mestproductie niet toeneemt.
Uitbreidingsinvesteringen of investeringen die niet kunnen gerangschikt worden in een van de opgesomde rubrieken zijn niet subsidiabel. Het betreft ondermeer de aankoop van bestaande pluimveestallen, de herinrichting van kippen­stallen (uitgezonderd verbeteren dierenwelzijn, leefmilieu en hygiëne), de overname van een pluimvee­bedrijf dat niet in gebruik was, het bouwen van niet ammoniakemissie­arme stallen (vleeskuikenstallen)….

Bij het verlenen van steun voor een ammoniakemissiearme stal worden volgende praktische regels in acht genomen:

  • In legkippen­stallen moet altijd huis­vesting in verrijkte kooien, volièrehuisvesting of grondhuisvesting toegepast worden.
  • Bij de bouw van een “dekstal” in de zeugenhouderij moet gelijktijdig omgescha­keld worden naar groepshuisvesting voor de drachtige zeugen. Bij de bouw van een nieuwe vleesvarkens- biggen of kraamstal is dit niet vereist.
  • De steun wordt verleend voor een stal voorzien van basis­uitrusting. Een afzonderlijke mestopslagplaats wordt gesubsidieerd zoals de stal en binnen hetzelfde subsidie­plafond wanneer de opslagplaats:
    • hoort bij een stal zonder of met beperkte mestopslag onder de stal;
    • voorkomt op de goedgekeurde bouwplannen van het project;
    • een capaciteit heeft die in verhouding staat tot de capaciteit aan dierplaatsen van de stal.
  • Een stro-opslagplaats bij een stal voor zeugen op stro wordt gesubsidieerd zoals de stal en binnen hetzelfde subsidieplafond.
  • De steun wordt uitbetaald nadat kopie voorgelegd werd van het attest dat, na afwerking van de stal, afgeleverd werd door de toezichthoudende architect, ingenieur-architect, burgerlijk bouwkun­dig ingenieur, industrieel ingenieur bouwkunde, landbouwkundig of bio-ingenieur dat vermeld dat de bouw­werken werden uitgevoerd conform de ammoniakemissiearme staltechnieken zoals beschreven in het VLAREM.
  • Bij de beoordeling van het element “productiecapaciteit” wordt rekening gehouden met overgenomen capaciteit en/of capaciteit verkregen door omzetting. Het aantal dieren op de milieuvergunning is de meest bepalende factor. Wanneer voor een groter aantal dieren gebouwd wordt dan het aantal dat kan gehouden worden op basis van de milieuvergunning, is er geen steun. Er wordt rekening gehouden met de toege­paste kweekmethode. De nutriëntenhalte is mee bepalend voor de steunverlening in het licht van de economische verant­woording van de investering en de levens­vatbaarheid van het bedrijf. Proportionele steun is mogelijk.
  • Wanneer de bouw van een stal past binnen de milieuvergunning kan gebruik gemaakt worden van nutriënten van ander vee (dat noodzakelijkerwijze zal afgebouwd worden) voor de verantwoor­ding van de capaciteit.

In de rundvleessector zijn alle investeringen subsidiabel wanneer het bedrijf voldoen­de grondgebonden is na uitvoering van de investeringen. Het bedrijf is grondgebon­den wanneer de bezetting van vleesrunderen kleiner is dan 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare voor de voedering van voor die runderen bestemde oppervlakte voedergewassen. Elke stier, koe of ander rund van meer dan 2 jaar vertegenwoordigt 1 GVE en elk rund van zes maanden tot 2 jaar 0,6 GVE.
Wanneer het vleesveebedrijf niet voldoende grondgebonden is en de investeringen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit, zijn ze subsidiabel wanneer ze gericht zijn op:

  • zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten;
  • hoevetoerisme en landschapsbeheer;
  • de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren;
  • biologische landbouw.

De controle van de grondgebondenheid in de vleesveehouderij gebeurt:

  • voor de oppervlakte, op basis van de verzamelaanvraag in het kader van de MTR-Verordening;
  • voor het aantal dieren, uitgaande van het reële aantal vastgestelde standplaatsen.

De oppervlakte voedergewassen nodig voor de voedering van runderen wordt berekend met de omzettingscoëfficiënten in navolgende tabel.

Teelt
Omzettingscoëfficiënt
Verantwoording
Weiden en grasland
Wortel- en knolgewassen
Klavers en luzerne
Melk- en deegrijpe maïs
Andere groenvoedergewassen
Droog geoogste erwten
Rogge, haver, gerst, triticale
100 %
uitsluitend voedergewas
Spelt
80 %
20 % voor broodbereiding
Suikerbieten
30 %
pulp en koppen
Witloof met forcerie op het bedrijf
20 %
de wortels worden gevoederd
Brouwgerst en tarwe
10 %
stro
Aardappelen
10 %
afval en kriel

De lijst is niet limitatief. Teelten die niet voorkomen op de lijst kunnen, in de mate dat de oogst kan gerangschikt worden als ruwvoeder, in rekening gebracht worden bij het beoordelen van de voorwaarde van grondgebonden­heid. De omzet­tings­coëfficiënt wordt dan berekend als de verhouding tussen de voederwaarde van de productie die aanvaard als ruw­voeder en de totale voederwaarde van de teelt.

In de vleeskalversector zijn investeringen subsidiabel wanneer ze gericht zijn op:

  • zelf verwerken en commercialiseren van de voortgebrachte producten;
  • hoevetoerisme en landschapsbeheer;
  • de verbetering van het leefmilieu, de hygiëne en het welzijn van de dieren.

De investeringen mogen niet leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit. De voorwaarde van grondgebondenheid in de vleesveehouderij is niet van toepassing. De aankoop van bestaande en de bouw van nieuwe stallen is niet subsidiabel evenals de aankoop van kalveren.

Bij omschakeling naar de biologische productiemethode in de veehouderij geldt de voorwaarde van productiecapaciteit niet. Dit betekent dat de omschakeling naar de biologische veehouderij kan gebeuren vanuit elke andere deelsector van de vee­houderij.

In de paardensector kan steun verkregen worden voor  investeringen gericht op het uitoefenen van volgende activiteiten: paardenfokkerij, hengstenhouderij, productie van paardenmelk en africhten van zelf gefokte veulens. Investeringen gericht op het exploiteren van een paardenpension en een KI-centrum voor paarden worden in principe geaccepteerd zover de activiteit voorkomt in combinatie met andere subsidiabele activiteiten zoals fokkerij of hengstenhouderij en nevenactiviteit blijft dit wil zeggen qua inkomsten en tijdsbesteding ondergeschikt blijft aan de gangbare landbouwactiviteiten.

Voor maal- en menginstallaties kan steun verkregen worden wanneer minimaal 35 % van alle gebruikte grondstoffen op het eigen bedrijf geteeld worden. Onder een maal- en menginstallatie wordt een maalderij op bedrijfsniveau ver­staan voor de bereiding van eigen krachtvoeders. Het bedrijfsgebouw waarin de installatie opgesteld staat wordt als loods gesubsidieerd. Mengvoederwagens en installaties voor het mengen van maïs worden niet gerangschikt als maal- en menginstallaties. Een graandrooginstallatie is, als onderdeel van de volledige installatie, subsidiabel waarneer de verbrandingsgassen niet door het graan gestuurd worden. Voor een afzonderlijke graandrooginstallatie bedraagt de steunintensiteit 20 %.

Composteringsinstallaties zijn subsidiabel wanneer hoofdzakelijk plantaardig materiaal gecomposteerd wordt. Composteringsinstallaties voor mest worden niet gesubsidieerd.

Voor het aanplanten of vernieuwen van laagstam fruitaanplantingen met nieuwe commercieel beloftevolle variëteiten en op voorwaarde dat de geïntegreerde productiemethode toegepast wordt, kan 30 % steun verkregen worden. Het betreft volgende variëteiten:

  • Appel: Pinova en mutanten, Topaz en mutanten, Rubinstep ( Pirouette®), Nicogreen (Greenstar®), Nicoter (Kanzi®), Caudel (Cameo®), Civni (Rubens®), Diwa (Junami®), PRI NR-47 (Wellant®, Belgica, Braeburn mutanten Hillwell en Maririred, Delbard mutant Appache, Holsteiner Cox en Santana.
  • Peer: Rode Doyenné Van Doorn ( Sweet Sensation®) en Saels (Corina).

Onder geavanceerde spuittoestellen worden toestellen verstaan die zeer goed scoren op het vlak van driftreductie. De spuitmachine uitrusten met driftreducerende doppen of met mechanische systemen voor driftreductie volstaat niet. Volgende spuitmachines kunnen aanvaard worden als geavanceerd.

  • Boomgaardspuiten: tunnelspuit, dwarsstroomspuit met groen-detectie-sensoren, met reflectieschermen of met collectors;
  • Veldspuiten: spuit met luchtondersteuning, spuit met afgeschermde spuitbomen en al of niet overkapte rijen- of beddenspuiten.

Investeringen gericht op het verwerken en commercialiseren van de eigen productie zijn specifiek noodzakelijk voor die activiteit, meer bepaald wat voertuigen betreft (koelwagen, marktwagen). In een normale situatie waar er eenheid is van landbouwactiviteit en rechtstreekse verkoop aan de consument, wordt steun verleend wanneer meer dan de 50 % van de betrokken hoeveproducten van het eigen bedrijf komen. Investering die gericht zijn op de verkoop van zelf aan­gekochte producten, worden niet gesubsidieerd.
Er wordt aanvaard dat “verwerken en commercialiseren eigen productie” om adminis­tratieve of fiscaal-technische redenen afgesplitst wordt van de landbouw­activiteit. Een juridische afsplitsing (veelal onder vorm van vennootschap) wordt aanvaard onder bijzondere voorwaarden.

Bij investeringen in hoevetoerisme worden de volgende regels in acht genomen:

  • De voorwaarden van minimale inkomsten en economische dimensie zijn geldig. Alleen rendabele projecten kunnen steun verkrijgen (aspect kosten/inkomsten).
  • Het structurele aspect is belangrijk. Hoevetoerisme is toerisme op een actieve hoeve. De verblijven komen in principe binnen de bestaande gebouwen (schuren, stallen). Vernieuwbouw wordt aanvaard.
  • Alleen gebouwen en basisuitrusting komen in aanmerking voor steun.

Kleinschalige projecten die verband houden met plattelandsklassen, zorgboerderij en campings kunnen eveneens gesubsidieerd worden.

Wanneer een bedrijfsgebouw subsidiabel is, kan ook bepaalde uitrusting die onroerend is van nature en die maakt dat het gebouw zijn specifieke functie krijgt, van dezelfde steunintensiteit genieten als het gebouw zelf. Hieronder worden verstaan:

  • de voeder-, drink- en verwarmingsinstallaties;
  • veeboxen en bindstellen;
  • melkinstallaties, inbegrepen de melkkoeltank;
  • krachtvoedersilo’s;
  • installaties voor beregening, de teelt op substraat, de hydrocultuur en de kweek van paddestoelen;
  • koelcellen;
  • installaties voor het drogen, ventileren e.a.;
  • sorteerinstallaties (aardappelen, tomaten, fruit, rozen, …) indien vast opgesteld;
  • lijnen om producten verkoopsklaar te maken (bv prei en witloof) indien vast opgesteld.

De afzonderlijke aankoop van tweedehandse uitrusting is subsidiabel. Tweedehands materieel is niet subsidiabel.

De kosten voor afbraak van serres in combinatie met een project voor het oprichten van nieuwe serres (op dezelfde locatie of elders) komen in aanmerking voor steun. De kosten worden maximaal aanvaard naar rato van 2,5 € per m² afgebroken serre. Kosten voor bodemsanering komen niet in aanmerking voor steun.

Duurzame planten zijn planten zoals rozen- en moederplanten, hop- en asperge­planten, houtachtig kleinfruit, snijheesters en rabarber. Licentierechten die betaald worden bij aankoop van plantsoen zijn subsidiabel.

Verwarmingsinstallaties op pure plantaardige olie (PPO), biodiesel, bio-ethanol, biogas, korte omloophout, afvalhout, graan en stro worden gerangschikt onder de noemer “installaties op hernieuwbare brandstoffen”. Dit geldt niet voor verwarmings­instal­laties waarbij houtpellets als brandstof gebruikt worden.

Bij investeringen die gericht zijn op de productie van hernieuwbare energie (via persing, vergisting of verbranding) moet een substantieel gedeelte van de benodigde grondstoffen voor de productie van de energie (plantaardige olie, biogas, elektriciteit, warmte…) komen van het bedrijf. In principe is dit minstens 30 %, exclusief mest. De aanvrager moet landbouwer zijn en blijven dit wil zeggen de meeste inkomsten halen uit verkoop van landbouw­producten. Een aanvrager die nog uitsluitend elektriciteit of warmte verkoopt, kan zich niet rangschikken als landbouwer omdat dit geen land­bouw­producten zijn.

Voor het plaatsen van fotovoltaïsche zonnecellen kan steun verkregen worden voor een productie­capaciteit afgestemd op de jaarlijkse behoefte aan elektriciteit van het bedrijf. Bij een zonneboiler worden samen met de zonnecollector ook het voorraadvat voor warm water, het pompsysteem om het water te laten circuleren, geïsoleerde leidingen van en naar de fotovoltaïsche cel, gesubsidieerd.

WKK-installaties, dienstig als verwarmingsinstallatie voor het productiebedrijf, worden gesubsidieerd wanneer de installatie eigendom is van de producent en wanneer die de installatie ook exploiteert. Een beperkte medefinanciering (orde 20 % van de totale prijs) door een derde (bv constructeur van WKK’s) kan aanvaard worden. Twee of meer producenten kunnen gezamenlijk een installatie bouwen met een capaciteit die afgestemd is op de warmtebehoefte van het geheel van de betrokken bedrijven. De dimensie van de WKK installatie is afgestemd op de warmtebehoefte van het bedrijf of de bedrijven. Een WKK-installatie waarbij de producent bovenop de geproduceerde elektriciteit ook nog een gedeelte van de geproduceerde warmte commercialiseert wordt in principe niet gesubsidieerd omdat het een overgedimen­sioneerde installatie betreft voor het bedrijf.

Wanneer de exploitatie van de WKK-installatie gebeurt door een vennootschap die het land- of tuinbouwproductie­bedrijf niet exploiteert (of door een samenwerkings­verband met een constructeur), is er geen steun.

Illustratie principes investeringssteun

De invloed van de investeringssteun op de financiering van een investering wordt geïllustreerd met navolgend voorbeeld.

Jaar 2006 (actualisatievoet: 3,70 %)
Verrichting: bouwen van een melkveestal voor 300.000 €.
Krediet: 225.000 € aan 4,5 % gedurende 15 jaar.
Subsidiabel bedrag: 300.000 €.
Rentesubsidie: 3 % gedurende 15 jaar op 225.000 €.
Kapitaalpremie van globaal 15.672,52 € deels als aanvulling op de rentesubsidie voor de eerste 225.000 en deels volledig (20 %) op de resterende 75.000 €.

Jaar Krediet/kredietlast zonder VLIF-steun VLIF-steun Financieringslast met VLIF-steun (€)
Kapitaalsaldo (€) Aflossing (€) Rentelast (€) Saldo gesubs. bedrag (€) Rentesubsidie (€) Premie (€)
1
225.000
15.000
10.125
225.000
6.750
7.836,26
10.538,74
2
210.000
15.000
9.450
210.000
6.300
7.836,26
10.313,74
3
195.000
15.000
8.775
195.000
5.850
-
17.925
4
180.000
15.000
8.100
180.000
5.400
-
17.700
5
165.000
15.000
7.425
165.000
4.950
-
17.475
6
150.000
15.000
6.750
150.000
4.500
-
17.250
7
135.000
15.000
6.075
135.000
4.050
-
17.025
8
120.000
15.000
5.400
120.000
3.600
-
16.800
9
105.000
15.000
4.725
105.000
3.150
-
16.575
10
90.000
15.000
4.050
90.000
2.700
-
16.350
11
75.000
15.000
3.375
75.000
2.250
-
16.125
12
60.000
15.000
2.700
60.000
1.800
-
15.900
13
45.000
15.000
2.025
45.000
1.350
-
15.675
14
30.000
15.000
1.350
30.000
900
-
15.450
15
15.000
15.000
675
15.000
450
-
15.225
Tot.
-
225.000
81.000
-
54.000
15.672,52
236.327,48

Volgende pagina: Steun aan sociale instellingen en consumentencoöperaties

 

Contactgegevens Buitendiensten VLIF

Download Acrobat Reader om PDF-documenten te bekijken: Adobe Reader

Laatste update: november 2006