U bent hier: Vlaanderen.be Landbouw en Visserij Premies & subsidies Investeringssteun


punt

Investeringssteun

Nieuwe VLIF-steunmaatregelen in een notendop

Op deze pagina:

Inleiding

Met het besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 2006 over de steun aan de investeringen en de installatie in de landbouw werd een lang aangekondigde bijsturing van de VLIF-regelgeving realiteit.
De aanpassing had tot doel de steunmaatregelen beter af te stemmen op de actuele noden inzake investeringen en tezelfdertijd een beter evenwicht tot stand te brengen tussen de vraag naar investeringssteun en de beschikbare middelen.
In deze folder worden vooreerst de belangrijkste wijzigingen en accentverschuivingen toegelicht, met name:

  • de wijziging van de definitie landbouwer;
  • de gewijzigde steunmaatregelen in de varkens- en legkippenhouderij;
  • de extra aandacht voor productie en gebruik van hernieuwbare energie;
  • de verruimde mogelijkheden op steun voor kapitaalintensieve bedrijven geëxploiteerd door een samenwerkingsverband van bedrijfsleiders;
  • de extra stimulansen gericht op de vernieuwing van het fruitareaal.

Vervolgens wordt de aandacht gevestigd op de lagere steunintensiteit voor een aantal specifieke investeringen.
Tenslotte wordt de gewijzigde aanvraagprocedure onder de aandacht gebracht.

Belangrijkste wijzigingen

Definitie landbouwer

Wie VLIF-steun wil krijgen moet landbouwer zijn. Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen landbouwer zijn. Een landbouwer besteedt minstens 50 % van zijn arbeidstijd aan landbouwactiviteiten en haalt uit die activiteiten minstens 35 % van zijn inkomsten. Landbouwactiviteiten geven een landbouwproduct als eindproduct.
Het begrip landbouwer wordt bij de toenemende economische dimensie van de bedrijven niet meer gekoppeld aan een maximum aantal arbeidseenheden op het bedrijf. Er blijft wel een minimumnorm. Een landbouwer besteedt op jaarbasis minimum 900 arbeidsuren aan activiteiten op zijn bedrijf. Voortaan volstaat het dat 51 % van de aandelen eigendom is van de zaakvoerders, bestuurders of gedelegeerde bestuurders die zich rangschikken als landbouwer. De andere mandatarissen moeten geen ontslag nemen. De statuten van de vennootschap bepalen voortaan wel uitdrukkelijk dat de aandelen op naam zijn.

Steunmaatregelen in de varkens- en legkippenhouderij

Met de afschaffing van de voorwaarde van grondgebondenheid is er geen onderscheid meer in de steun en steunintensiteit tussen grondgebonden en niet grondgebonden varkensbedrijven. Voortaan kunnen alle varkenshouders dezelfde steun verkrijgen voor hun investeringen als ze maar de verbetering van het leefmilieu (ammoniakemissiearme stallen), het dierenwelzijn (de omschakeling op groepshuisvesting), de hygiëne op het bedrijf of de diversificatie van de activiteiten (verkoop hoevevlees) als doel hebben. De investeringen mogen niet bedoeld zijn om de productiecapaciteit te verhogen.

De steunintensiteit voor ammoniakemissiearme varkens- en pluimveestallen bedraagt voortaan uniform 20 %. De maximum subsidiabele investeringsbedragen worden behouden zodat de steun gelimiteerd is tot een maximumbedrag per dierplaats.

Waar voorheen bij de bouw van een nieuwe ammoniakemissiearme legkippenstal of de herinrichting van een bestaande legkippenstal alleen steun mogelijk was indien volière- of grondhuisvesting toegepast werd, wordt voortaan ook steun verleend bij huisvesting in aangepaste kooien. Er wordt onderscheid gemaakt in steunintensiteit. Bij volière of grondhuisvesting bedraagt de steunintensiteit 20 % voor zowel de bouw van de ammoniakemissiearme stal als de inrichting. Bij huisvesting in aangepaste kooien is dit 10 %. Hetzelfde onderscheid wordt gemaakt bij de herinrichting van bestaande stallen.

Aandacht voor productie en gebruik van hernieuwbare energie

De voorwaarden voor het verkrijgen van investeringssteun voor investeringen gericht op de productie van hernieuwbare energie werden duidelijk geformuleerd evenals de aard van de subsidiabele investeringen.

De productie van hernieuwbare energie als een vorm van diversificatie naar niet landbouwactiviteiten wordt aangemoedigd. De hernieuwbare energie wordt geproduceerd met grondstoffen die minstens voor 30 % geteeld worden op het bedrijf. Alleen wie zich rangschikt als landbouwer komt in aanmerking voor investeringssteun bij de productie van hernieuwbare energie.

De landbouwactiviteiten blijven de belangrijkste. Indien productie van warmte en elektriciteit hoofdzaak wordt, is geen VLIF-steun mogelijk.

Op een landbouwbedrijf kan de productie van hernieuwbare energie zich voordoen onder vorm van een vergistings- of verbrandingsproces of het persen van oliehoudende zaden. Installaties voor de productie van biogas, verbrandingsinstallaties (inclusief generator voor elektriciteitsproductie) en oliepersen zijn de meest voor de hand liggende investeringen op het landbouwbedrijf.

Voor het plaatsen van fotovoltaïsche zonnecellen kan steun verkregen worden voor een productiecapaciteit afgestemd op de jaarlijkse behoefte aan elektriciteit van het bedrijf. Ook voor het plaatsen van een zonneboiler wordt steun verleend.

Voor alle bovenvermelde investeringen, gericht op de productie van hernieuwbare energie op het landbouwbedrijf, bedraagt de steunintensiteit uniform 30 %.

Het VLIF moedigt niet alleen de productie maar ook het gebruik aan van hernieuwbare brandstoffen op land- en tuinbouwbedrijven. Waar voorheen alleen de omschakeling naar verwarmingsinstallaties op gas met extra steun aangemoedigd werd, wordt voortaan ook de omschakeling naar installaties op hernieuwbare brandstoffen met 40 % investeringssteun gestimuleerd. Hieronder worden ook WKK-installaties gerangschikt, dienstig als verwarmingsinstallatie op het land- of tuinbouwbedrijf. De dimensie van de WKK-installatie is afgestemd op de warmtebehoefte van het bedrijf.

Steun voor kapitaalintensieve bedrijven geëxploiteerd door een samenwerkingsverband van bedrijfsleiders

Het maximum subsidiabel investeringsbedrag wordt voortaan niet meer bepaald per bedrijf maar per bedrijfsleider. Binnen samenwerkingsverbanden behouden de bedrijfsleiders voortaan hun individuele rechten op investeringssteun. Het maximum subsidiabel investeringsbedrag per bedrijfsleider bedraagt één miljoen euro in een periode van 7 jaar. Deze wijziging opent perspectieven voor samenwerkingsverbanden, zowel voor maatschappen als voor vennootschappen.

Stimulansen voor de vernieuwing van het fruitareaal

Voor het aanplanten of vernieuwen van laagstam fruitaanplantingen met nieuwe commercieel beloftevolle variëteiten en op voorwaarde dat de geïntegreerde productiemethode toegepast wordt, kan voortaan 30 % steun verkregen worden. Het betreft volgende variëteiten: Appel: Pinova en mutanten, Topaz en mutanten, Rubinstep ( Pirouette®), Nicogreen (Greenstar®), Nicoter (Kanzi®), Caudel (Cameo®), Civni (Rubens®), Diwa (Junami®), PRI NR-47 (Wellant®), Belgica, Braeburn mutanten Hillwell en Maririred, Delbard mutant Appache, Holsteiner Cox en Santana. Peer: Rode Doyenné Van Doorn ( Sweet Sensation®) en Saels (Corina). Voor vernieuwing van laagstam fruitaanplantingen met gangbare variëteiten, zonder uitbreiding van de totale oppervlakte, bedraagt de steun 10 %.

Verlaging steunintensiteit voor een aantal specifieke investeringen

In de periode 2000-2006 werden actiematig een aantal investeringen met maximale steun aangemoedigd om een gewenste ontwikkeling (daling energie- en waterverbruik, reductie ammoniakemissie) versneld te realiseren. Bij de bereikte resultaten, de nieuwe accenten (cfr supra) en de noodzaak om de regelgeving af te stemmen op de beschikbare middelen, werd de steunintensiteit voor die investeringen als volgt aangepast.

  • Mestinjectiesystemen en ammoniakemissiearme mestspreiding: 10 % steun;
  • Hergebruik van overtollig beregenings- en regenwater: 20 % steun;
  • Isolatie van verwarmde stallen en vervanging van energieschermen: 20 % steun;
  • Potstallen in de melkveehouderij: 20 % steun.

Nieuwe procedure voor het aanvragen van steun

De werkwijze voor het aanvragen van VLIF-steun is gewijzigd op 1 januari 2007. Vanaf dat tijdstip mogen investeringen niet begonnen zijn vooraleer ze ter kennis gebracht werden van het VLIF door middel van een inlichtingsblad. De procedure voor het aanvragen van steun start dan met het indienen van een inlichtingsblad over het bedrijf en de investeringen door de kredietinstelling of de landbouwer zelf. De registratiedatum door het VLIF van het inlichtingsblad is de aanvaarde begindatum voor de investeringen. Facturen van vóór die datum, met uitzondering van voorschotfacturen (maximum 30 % van het investeringsbedrag), worden niet aanvaard. De steun kan geweigerd worden voor de totale investering als de aanvaarde investeringsbewijzen geen betrekking meer hebben op een samenhangend geheel van investeringen met een projectmatig karakter.

Aanvragen worden ingediend op volgend adres:

 

Voor bijkomende inlichtingen over VLIF-steun kan contact genomen worden met de buitendiensten van het VLIF. Hierna volgt een lijst.

 

Laatste update: februari 2007