U bent hier: Vlaanderen.be Landbouw en Visserij Duurzame landbouw


punt

Duurzame landbouw

Toekomstvisie duurzame landbouw in Vlaanderen

Tekst opgesteld in het kader van het door voormalig Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw, Vera Dua, opgestart strategisch project duurzame landbouw.

Auteurs:
Prof. D. Reheul (Universiteit Gent)
Prof. E. Mathijs (Katholieke Universiteit Leuven)
ir. J. Relaes (Departement Landbouw en Visserij)

BIJLAGE: Beperkte toets aan duurzaamheidscriteria per deelsector.


Achtergrond

Deze tekst is tot stand gekomen na overleg tussen verschillende medewerkers van de Vlaamse overheid en Prof. Mathijs (K.U. Leuven) en Prof. Reheul (Universiteit Gent) binnen het 'strategisch project duurzame landbouw'. De tekst is een denkoefening en hij heeft geenszins de bedoeling volledig te zijn. Hoofdbedoeling was en is een denkkader te scheppen voor een visievorming op de toekomst van land- en tuinbouw in Vlaanderen. Daarom staan in deze aanzet nauwelijks kwantitatieve gegevens. Als er al eens een vrijpostige stelling in staat, dan heeft deze geen andere bedoeling dan het debat rond duurzame landbouw in Vlaanderen aan te zwengelen. Conform de opdracht hebben we ons geconcentreerd op de land- en tuinbouw, maar we zijn ervan overtuigd dat een analoge denkoefening passend is voor een hele reeks andere sectoren uit onze maatschappij, die zich ook gerust mogen beraden over duurzaamheid.

Duurzaamheid is een 'containerbegrip', (waarmee we bedoelen dat de interpretatiebreedte zeer ruim is) (zie verder). De duurzaamheidgedachte is geboren uit de bezorgdheid voor de leefomgeving, zeg maar uit ecologische bezorgdheid. Later is het begrip uitgebreid tot een drie-éénheid, nl. ecologische, economische en sociale aspecten binnen een maatschappij omdat dit de minimale verstrengelde omschrijving is waarin menselijke activiteiten plaatsvinden. Niemand is in staat exacte "eindtermen" (hoever kunnen we gaan zonder ecologische, economische of sociale ontwrichting) voor duurzaamheid vast te leggen, want de duurzaamheidgedachte is dynamisch en ze evolueert mee met maatschappelijke ontwikkelingen. Werken aan duurzaamheid is werken aan een evolutierichting. De richting is vrij duidelijk (cfr. Bruntland rapport uit 1987), de precieze wegen niet. Dit maakt dat werken aan duurzaamheid een open opdracht is, waar het vrij makkelijk is om kritiek te leveren op aangebrachte gedachten: we nodigen echter iedereen uit om constructief mee te denken. We weten heel goed dat het vandaag goed staat om over duurzaamheid te denken en te schrijven, net zoals we zeer goed weten dat velen erover praten zonder navenant te handelen, waardoor heel wat kritiek een bestaansgrond mist. 

Evengoed weten we dat het lijkt alsof landbouw proefkonijn is voor duurzame ontwikkeling. Daar zijn een aantal zeer duidelijke redenen voor:

1. Landbouw is nu eenmaal overal aanwezig en overal zichtbaar en waarneembaar (in tegenstelling b.v. tot industrie die zich concentreert op afgebakende industrieterreinen) zodat iedereen er indirect mee in aanraking komt. Elke menselijke activiteit neemt een hap uit de ruimte die oorspronkelijk een natuurlijk ecosysteem was. Daar is geen ontkomen aan. Plantenteelt en grondgebonden veeteelt zijn echter grootgebruikers van deze ruimte en in bepaalde gebieden de rechtstreekse en de eerste concurrenten voor dezelfde ruimte. Het is daarom 'normaal' dat de ecologische bezorgdheid (zoals hoger vermeld, de bron van de duurzaamheidgedachte) onmiddellijk het landbouwgebied raakt.

2. Omgekeerd heeft de overgrote meerderheid onder ons geen direct contact met landbouw, waardoor landbouw een vrijblijvend onderwerp is om duurzaamheidoefeningen uit te voeren.

3. Daar staat dan weer tegenover dat landbouw onder de vorm van voedsel overal (letterlijk) tastbaar binnenkomt en toch weer iedereen aanspreekt (kippenvlees met sporen dioxine shockeert meer dan dioxinehoudende lucht; de eerlijkheid gebiedt de vraag te stellen wat het ergst is). Men vergeet daarbij snel dat het landbouwproduct vaak slechts een onderdeel (maar dan wel het onderdeel onderaan de productiekolom en het lijkt een gewoonte om problemen door te sturen naar primaire schakels) is in de keten van voedselproductie en -verwerking, die echter veel minder zichtbaar zijn dan het primaire productieproces zelf (primaire productie: hier globaal bedoeld als de productie tot aan het vertrek van het landbouwbedrijf).

Nadenken over duurzaamheid in de landbouw impliceert dat men letterlijk zijn geografische grenzen definieert. We hebben ons beperkt tot Vlaanderen in een Europese context. Het zelfonderzoek dat in de volgende paragrafen aan bod komt, moet men tegen deze achtergrond houden.

Naar een nieuw contract met de samenleving. 

Vanaf de Tweede Wereldoorlog heeft de Europese en zeker de Vlaamse landbouw met succes een antwoord gegeven op de vraag vanuit de samenleving om voldoende voedsel tegen aanvaardbare prijzen te produceren. Geholpen door het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid werd Europa op korte termijn zelfvoorzienend voor de meeste land- en tuinbouwproducten. Landbouw is zijn 'contract met de samenleving' nagekomen. Productiviteit, kwantiteit en kostenbeheersing waren hierin sleutelbegrippen.

Aan het begin van de éénentwintigste eeuw zijn de noden van de welvarende Westerse samenleving duidelijk veranderd. De vraag naar kwaliteit neemt voortdurend toe en de bekommernis om kwantiteit vervaagt in een maatschappij waarin een overvloed van landbouwproducten aanwezig is. Bovendien evolueert de eerste invulling van kwaliteit (de intrinsieke productkwaliteit) naar de kwaliteit van het productieproces. Zonder in detail te treden kunnen we kwaliteit definiëren als "the perception of excellence ( Evans & Lindsay, 1996 )", en die perceptie slaat vandaag zowel op het product als op het productieproces. Recent is daar nog een betekenisverbreding bijgekomen, nl. de perceptie van voedselveiligheid. De bekommernis om veilig voedsel is van toepassing op het hele productieproces van voedingsmiddelen en overstijgt duidelijk de primaire productie want de toeleverende sectoren en de sectoren die land- en tuinbouwproducten verwerken zijn hierin in hoge mate betrokken. Een welvarende maatschappij, waar de primaire behoeften in hoge mate verzadigd zijn,  kan het zich permitteren om veel belang te hechten aan immateriële waarden (zoals kennis, informatie, persoonlijke betrokkenheid, schoonheid, natuurlijkheid - deze immateriële waarden scheppen natuurlijk ook kansen om producten en productieprocessen te differentiëren in een verzadigde omgeving)  en emoties gekoppeld aan goederen en diensten. Men koopt geen plant meer, maar een plant waar een verhaal aan vasthangt:  men koopt geen kip meer, maar een kip gefokt en opgekweekt in een bepaalde leefomgeving. Het aandeel ouderen neemt toe in onze maatschappij en zal blijven toenemen. Deze mensen hechten veel belang aan hun fysische en emotionele gezondheid en zijn daarom extra gevoelig voor de hiervoor geschetste evoluties. Dat heeft ontegensprekelijk gevolgen voor de vraag naar voedingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan dalende vleesconsumptie bij ouderen). Ook weer omdat haar primaire behoeften in hoge mate bevredigd zijn, komt er vanuit  de samenleving meer aandacht voor een aantal publieke goederen die aanwezig zijn op het platteland,  het gebied waar de landbouw werkt: landschap, bos, natuur, water. Landbouw is de eerst gesolliciteerde om deze elementen te vrijwaren en in stand te houden want landbouw staat het dichtst bij deze ruimte. Onze landbouw is een grootgebruiker van chemische hulpstoffen die soms schadelijk zijn voor het milieu en de gezondheid en de maatschappij vindt terecht dat de nadelige effecten beperkt moeten blijven. Een aantal landbouwactiviteiten leveren een bijdrage in de broeikasgassen en het is niet onlogisch om maatregelen te vragen om deze bijdrage te beperken. Het spreekt vanzelf (en het is in hoofdstuk 1 al aangehaald) dat het onrechtvaardig is om alleen de landbouw te beladen met maatschappelijke vragen en eisen. Vele menselijke activiteiten en het hele gedrag van onze samenleving is verantwoordelijk voor een aantal problemen. Denken we maar aan verkeer, industriële activiteiten,  recreatie en toerisme, enz.: landbouw draagt slechts een deelverantwoordelijkheid. Toch zijn wij van mening dat de mate waarin landbouw een antwoord zoekt en vindt op maatschappelijke vragen recht evenredig zal zijn met de waardering die landbouw zal krijgen vanuit de maatschappij. Er moet een maatschappelijk aanvaard draagvlak zijn voor de landbouwactiviteiten.  Een eerste stap is het herstellen van een actieve dialoog tussen de landbouw en de samenleving: streven naar duurzaamheid in de landbouw zonder dat dit proces verankerd is in de samenleving biedt geen uitweg. Je zou kunnen stellen dat er een nieuw 'contract met de samenleving' moet komen.

Wat is duurzame landbouw? 

Er zijn vandaag al meer dan 100 definities van duurzame landbouw te vinden, wat meteen een aanwijzing is voor de interpretatieruimte (zie hoofdstuk 1). Men komt echter altijd een combinatie tegen van economische, ecologische en sociale parameters die onderling verstrengeld zijn (zie hoofdstuk 1).

Een duurzame landbouw hanteert praktijken die economisch efficiënt, ecologisch  en sociaal aanvaardbaar zijn in eerste instantie voor de huidige generatie, maar zonder de kansen van toekomstige generaties te hypothekeren De economische dimensie van een duurzame landbouw houdt in dat we op wereldschaal  voldoende voedsel blijven produceren en dat diegenen die zorg dragen voor de voedselproductie daar ook van kunnen leven en op termijn een leefbare toekomst zien. De kosten van de voedselproductie staan ter discussie. Landbouw veroorzaakt zoals elke economische activiteit nogal wat hinder en het is voorlopig veeleer de maatschappij en niet de consument die een groot deel van de kosten draagt om deze hinder te beperken, te beheersen en/ of ongedaan te maken. Het doorrekenen van deze kosten in de consumentenprijzen zou een eerlijker beeld geven van de kostprijs van de landbouwproducten. Ecologisch duurzame landbouw wil het ecosysteem waarin landbouw werkt gezond houden. Deze betrachting concretiseert zich in (1) het beperken van negatieve effecten op het milieu-streefdoel is een goede locale 'basismilieukwaliteit'-(denk aan residu's van nutriënten en pesticiden) en in (2) de zorg voor biodiversiteit in al zijn facetten (denk aan de relatie landbouw- natuur). Het verantwoord omgaan met levende wezens (dierenwelzijn) kunnen we hier ook onder rekenen. De sociale dimensie van duurzame landbouw houdt in dat het uitoefenen van landbouwactiviteiten moet bijdragen tot de sociale stabiliteit van de maatschappij. Wie landbouw beoefent, moet een plaats vinden in de maatschappij en er moet wederzijds respect zijn tussen 'landbouwers' en de rest van de samenleving. Bovendien moet er een sociaal toekomstperspectief zijn om te verhinderen dat landbouw sociaal gemarginaliseerd wordt. Landbouw gebeurt in een agro- ecosysteem. Een agro- ecosysteem is een ecosysteem (een ecosysteem is het geheel van levende wezens die interageren met elkaar en met hun abiotische omgeving, begrensd in tijd en ruimte) dat gebruikt wordt voor landbouwdoeleinden. Het agro- ecosysteem gebruikt dezelfde ruimte als een natuurlijk ecosysteem. Gezien de draagkracht van natuurlijke ecosystemen beperkt is, is de ecologisch verantwoorde bewegingsruimte  in een agro- ecosysteem eveneens beperkt.  Het is werkelijk het menselijk handelen dat bepaalt of een agro- ecosysteem overeind blijft.  Wie duurzaamheid wil opbouwen moet daarom rekening houden met o.a. sociale en culturele eigenheden, want zij bepalen precies het menselijk handelen. En het zijn juist de sociale en culturele eigenheden die dreigen ten onder gaan onder invloed van het wereldmarktgebeuren.

Een stabiel landbouwproductiemodel kan goede ecologische principes niet negeren. Verscheidenheid is een belangrijk gegeven in stabiele duurzame systemen. Verscheidenheid vormt trouwens de essentie van het leven en landbouw is tot nader order nog steeds in hoofdzaak een biologische activiteit. Verscheidenheid is collectieve rijkdom en werkt als een zorgverzekering, want verscheiden systemen zijn veel beter gebufferd   tegen een aantal onverwachte en verwachte ontwikkelingen (schaarste aan energie, klimaatsveranderingen, planten- en dierziekten, enz.). Verscheidenheid en het in stand handen van verscheidenheid kosten echter veel geld, waardoor de verleiding groot is om uniformiteit na te streven. Uniforme systemen( een systeem is een beperkt gedeelte van de realiteit dat elementen bevat die met elkaar verbonden zijn) werken economisch efficiënter dan systemen waarin verscheidenheid primeert. Maar als we duurzaamheid zoeken is het wenselijk dat we streven naar een diversiteit zowel op het vlak van het ruimtegebruik als op het vlak van de  activiteiten als op het vlak van de organisatie van deze activiteiten. Meteen biedt een benadering die streeft naar ecologische duurzaamheid kansen voor nieuwere vormen van landbouw die de uniform gevestigde patronen overstijgen.

Is Vlaamse landbouw duurzaam? 

Wij menen dat de Vlaamse landbouw in zijn totaliteit niet erg duurzaam is: hij is onvoldoende economisch efficiënt, onvoldoende milieuvriendelijk en hij mist een aanvaardbaar sociaal draagvlak. Gelukkig worden langs alle kanten veel inspanningen geleverd om de duurzaamheid te verbeteren.

Economische dimensie

De Vlaamse landbouw brengt met 2 procent van de beroepsbevolking slechts 1 procent van de toegevoegde waarde van de economie voort ondanks de grote hoeveelheid subsidies die de sector ten deel valt. Wanneer gans het agro- businesscomplex (toelevering, verwerking, afzet) in overweging wordt genomen,  bekleedt landbouw natuurlijk wel nog een belangrijke plaats binnen ons economisch bestel. Vele landbouwbedrijven lijden verlies of houden nauwelijks hun kop boven het water omwille van hun kosteninefficiëntie. Het starten of verder zetten van landbouwbedrijven wordt financieel steeds moeilijker en wordt geconfronteerd met vele administratieve en wettelijke voorschiften die voor éénmansbedrijven moeilijk te dragen zijn. Het steeds verder wegvallen van de Europese prijsondersteuning levert de sector over aan een meer concurrentiële  omgeving waar diegenen die onderaan de keten staan de meeste klappen krijgen. Natuurlijk zijn er ook bedrijven en bedrijfstakken waar het economisch wel goed gaat maar het globaal beeld is tanend.

Ecologische dimensie

De Vlaamse landbouw behoort tot de koplopers in de wereld zowel wat betreft het gebruik van externe inputs die belastend zijn voor het milieu (zoals bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen) als wat betreft de druk van de veestapel.  Landbouw  heeft hierdoor een belangrijke impact op het milieu (denk aan de mestoverschotten). Wie in Vlaanderen het aantal dieren uitdrukt per oppervlakte-eenheid, komt tot een veebezetting die een veelvoud is van de 2 grootvee-eenheden per ha, de duurzaamheiddrempel om bepaalde Europese subsidies te krijgen en tevens de maximale veebezetting in de biologische landbouw. Door het verbreken van de grondverbondenheid kan ons ecosysteem de bijproducten van dierlijke oorsprong niet meer verwerken (om het in wetenschappelijk jargon uit te drukken: we hebben 'geen sink' en 'geen source': de bron - het veevoer - ligt voor een groot deel in verre landen; en onze eigen regio kan de mest e.a. niet opslaan) We hebben teveel dieren of we moeten mest verwerken en exporteren.  We willen geenszins zeggen dat grondloze veeteelt geen kansen heeft, alleen zijn we te ver gegaan. Zijn de problemen opgelost als we mest verwerken en exporteren ? Ja en neen. De lokale druk is weg, maar ecologisch is het niet de meest optimale weg: er komt veel transport en energieverbruik bij kijken. Mogen we dan niet meer rekenen op transport ? Natuurlijk wel, maar ecologische duurzaamheid gebiedt dat ook hier niet overdreven wordt. Er zijn hier geen grenzen en dit is weer een illustratie van het feit dat duurzaamheid een richting is en geen exact gedefinieerd sommetje van regels.

Sociale dimensie

Vele landbouwbedrijven staan sociaal zwaar onder druk, omdat zij de opeenvolgende crisissen niet meer aankunnen, een slecht imago hebben, er een te grote rechtsonzekerheid is door te vaak wijzigende wetgevingen, de administratielast toeneemt en er nog weinig vrije tijd overblijft. Als gevolg hiervan telt de  landbouwsector maatschappelijk en politiek steeds minder mee. Het eerder gesloten karakter van de landbouwwereld en het vrij defensief reageren op crisissituaties hebben het gesprek tussen landbouw en maatschappij in Vlaanderen danig verstoord. Vele landbouwers zijn sociaal geïsoleerd. Land- en tuinbouwbedrijven zijn doorgaans familiale bedrijven van eerder bescheiden omvang. Op macroschaal komt dit de efficiëntie niet steeds ten goede: zowel vaste als veranderlijke kosten lopen hoog op, wat duidelijk weegt op de rendabiliteit. Voor de meeste bedrijfsleiders is landbouw niet alleen een vak maar een levenswijze. Er wordt bij moeilijkheden dan ook eerder ingeboet op het gezinsinkomen. De niet boerende bevolking heeft nauwelijks nog contact met de landbouw en is niet of slecht op de hoogte van problemen en inspanningen die de landbouw levert om vandaag te overleven.  De maatschappij vraagt dat de landbouwproductie meer en sneller inspeelt op de vraag. Men moet echter beseffen dat gezien het biologisch karakter van de productie, dit  niet steeds op een flexibele en snelle wijze kan gebeuren. Een en ander leidt tot de twijfel of landbouw wel wil veranderen en deze reserve leidt dan weer tot een toenemende vervreemding. Paradoxaal, leidt het 'verecologiseren' van de land- en tuinbouw ook niet steeds tot directe resultaten.  Een gezond ecosysteem kent zijn draagkracht en heeft aandacht voor verscheidenheid. De gangbare landbouw is in Vlaanderen een andere weg opgegaan: alles werd zoveel mogelijk uniform gemaakt: zowel de productie (weinig gewas- en  diersoorten) als productiesystemen (cfr varkenshouderij, kippenhouderij, monoculturen met gewassen.) en over draagkracht heeft men zich in het verleden niet veel bekommerd (het uniform maken van alles is natuurlijk geen alleenstaand - landbouw- gegeven: dit gebeurt in de ganse samenleving, net zoals de ganse samenleving spreekt over duurzaamheid maar er nagenoeg niet naar handelt. En dan is er nog het volgende. Vandaag gebeuren veel primaire productieprocessen erg uniform. Maar omdat uniformiteit erg verveelt en geen ruimte laat voor diversificatie, brengen de secundaire en tertiare sector de verscheidenheid terug: men kan gerust zeggen dat de verscheidenheid verschoven is van het primair productieproces naar het verwerkings- en vermarktingskanaal. Gezien heel wat meerwaarde ligt in verscheidenheid, is deze verloren gegaan voor de primaire sector).

Streven naar diversiteit is een complete ommezwaai en zal daarom op weerstand stuiten

De toenemende (wereld)concurrentie en het luik 'markt- en prijzenbeleid' van het Europees landbouwbeleid, dwingen land- en tuinbouwers in Vlaanderen vaak tot ecologisch onduurzame methoden (het inkomensbeleid van de EU bevat wel een stimulans voor meer duurzaamheid). Daartegenover staat een steeds scherper wordende regelgeving die landbouw dwingt in de richting van ecologisch goede praktijken. Dit brengt beperkingen met zich mee die op hun beurt de economische druk vergroten met grote sociale gevolgen. De tredmolen draait. Wie vertrekt vanuit een economisch perspectief botst op de toenemende kosten die 'het verecologiseren' van productieprocessen met zich mee brengt. Vertrekken vanuit een ecologisch perspectief biedt intrinsiek meer standvastigheid, want de ecologische grensvoorwaarden zijn redelijk goed gedefinieerd. Socio-economisch moet men dan randvoorwaarden scheppen die toelaten te werken volgens de ecologische principes maar dit botst met internationale politieke afspraken.

Strategieën voor een duurzame landbouw 

Kennis, ondernemerschap en strategie zullen onontbeerlijk zijn om de weg te kunnen inslaan naar een duurzamere landbouw.  Landbouwbedrijfsleiders zullen een combinatie van strategieën moeten toepassen om een economische, ecologische en sociale meerwaarde te kunnen creëren. Bovendien zijn wij er van overtuigd dat een aantrekkelijke, speelse, originele communicatie van levensbelang is om de sector vooruit te helpen.

Zoeken naar economische meerwaarde

Economische waarde kan gecreëerd worden op twee manieren namelijk door het verlagen van de kosten en door het verhogen van de opbrengsten.  In ieder geval is er een verruiming van de bedrijfsactiviteiten vereist en dit kan in elk van de vier dimensies van een bedrijf plaatsvinden: 1. Horizontale verruiming of schaalvergroting door de schaal van het bedrijf uit te breiden. Hierdoor kunnen schaalvoordelen benut worden en kan een product aan een lagere kostprijs voortgebracht worden.  De voorwaarde is wel dat er voldoende grond en/ of quotum beschikbaar is en blijft. 2. Verticale verruiming of despecialisatie door terug activiteiten stroomopwaarts of stroomafwaarts van de kernactiviteit zelf uit te voeren. Op deze wijze  kunnen ketenvoordelen benut worden en kan een groter deel van de eindwaarde van het product worden gecapteerd. 3. Laterale verruiming of functieverbreding door activiteiten uit te voeren die zich buiten de sfeer van de landbouwproductie bevinden, maar die gebruik maken van de positieve neveneffecten die de landbouwproductie kan genereren, zoals groenbeheer en vrijetijdsbesteding. 4. De verruiming in de tijd of versnelde innovatie  door als eerste een nieuw product of dienst op de markt te brengen of tot stand te brengen via een vernieuwd productieproces kan tijdelijk een hogere prijs genereren (productdifferentiatie).  Men moet dan wel steeds opnieuw blijven innoveren om de concurrentie voor te blijven. Voor elk bedrijf past een andere combinatie van deze vier meerwaardestrategieën, afhankelijk van de kennis en de kerncompetenties van het landbouwersgezin, de bedrijfs- en gebiedsspecifieke situatie, de wil om iets te veranderen, de economische noodzaak, enz. Kant en klare oplossingen zijn er niet.

Zoeken naar ecologische meerwaarde

Om een ecologische meerwaarde te realiseren zullen strategieën moeten ontwikkeld worden die milieuwinst opleveren b.v. door het verminderen van het teveel aan effluenten (ammoniak, fosfaat, CO2, SO2, enz.) door de landbouw voortgebracht. Anderzijds moet men weer oog hebben voor biodiversiteit, landschapselementen en natuurfuncties.  Bedrijven moeten efficiënter en oordeelkundiger gebruik maken van externe inputs, zodat verlies en verspilling verkleinen: hier vinden economie en ecologie elkaar en een ecologische winst gaat vaak samen met een economisch beter resultaat (beperken van de kosten aan input zijde). Men moet echter realist blijven: elk productieproces levert 'bijwerkingen' en een agro- ecosysteem  is en wordt geen natuurlijk ecosysteem! Het herstellen en bevorderen van kringlopen kan echter de ecologische efficiëntie merkbaar verbeteren.

Zoeken naar sociale meerwaarde

De creatie van een sociale meerwaarde en de erkenning van de maatschappij kan alleen maar gebeuren door maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Het contact en de dialoog tussen landbouw en maatschappij moeten dringend worden hersteld en dit moet een wederzijds herstel zijn.  Duurzame relaties tussen de verschillende actoren (landbouwers, milieuverenigingen, consumenten) leiden naar een landbouw die gedragen wordt door ganse de maatschappij.

Trends die de toekomstige evolutie van Land-en Tuinbouw zullen bepalen

Globalisering en Europees landbouwbeleid

Door het verminderen van de landbouwprotectie en de heroriëntatie van het Europees landbouwbeleid zal de concurrentie op wereldvlak toenemen. De hoge prijs van arbeid en  grond en de normen voor een milieubasiskwaliteit dwingt de Vlaamse landbouw tot een kennisintensievere productie. Op Europees niveau is een evolutie aan de gang in de richting van een inkomenondersteuning in de plaats van een prijsondersteuning. De nakende uitbreiding van de EU zal het landbouwbeleid drastisch beïnvloeden. De wereldmarkt lijkt het verduurzamen van de Vlaamse landbouwproductie eerder te hinderen dan te stimuleren. De wereldmarktprijs is van een dergelijk laag niveau dat de dure inputs in ons landbouwsysteem niet kunnen worden gevaloriseerd. Het Europees landbouwbeleid is op het vlak van de inkomensondersteuning hectare gebonden en dus in het voordeel voor die producenten die zich in een omgeving bevinden met een relatief overschot aan grond.

Regularisatiedruk

De wetgever zal steeds striktere eisen opleggen met betrekking tot de locatie, de productiewijze en de productkwaliteit van de landbouw. Hierdoor en door het feit dat wijzigingen zo snel gebeuren en rechtsonzekerheid veroorzaken, zullen bepaalde deelsectoren en bedrijven vermoedelijk afhaken. Sectoren die nog niet veel inspanningen hebben geleverd om op te schuiven naar duurzaamheid of sectoren die een grote ecologische druk veroorzaken, krijgen het moeilijk. Ook de verwerkende en distributiesector zullen steeds meer regulerende bepalingen opleggen, bijvoorbeeld via lastenboeken: men eist immers garanties en bewijzen voor extra kwaliteit. Het blijven vergroten van de regularisatiedruk zonder administratieve vereenvoudiging is oneerlijk en onbillijk.

Demografische verschuivingen

Demografische veranderingen zullen verschuivingen teweegbrengen in de vraag naar voedsel en naar vrijetijdsbesteding. Een verouderende bevolking zal steeds meer en meer eisen stellen aan het voedsel dat ze vraagt, maar is wellicht bereid een hogere prijs te betalen (te verwachten is natuurlijk dat alleen de meest vermogenden zich zulk een houding kunnen permitteren). Wat zal er echter gebeuren bij een welvaartsachteruitgang? De demografische verschuivingen, de algemene welvaart, het slecht imago van 'landbouwwerk' en de lage prijzen zorgen ervoor dat arbeidskrachten moeilijk te vinden zijn in de land- en tuinbouwsector. Arbeidsintensieve teelten (zoals groenteteelt en fruitteelt) en de biologische landbouw lijden daaronder.

Technologische vooruitgang

De biotechniek (zoals de precisielandbouw) en de biotechnologie hebben een theoretisch potentieel tot het genereren van vernieuwingen die de productiewijze van de landbouw grondig kunnen wijzigen. Zij kunnen ertoe bijdragen tot een versnelde innovatie van productieprocessen. Vooral rond  biotechnologie blijft het debat levendig. Net zoals het productieproces bij het produceren van landbouwproducten vaak even belangrijk wordt als het product zelf, wordt de context waarin biotechnologie zich afspeelt haast belangrijker dan de technologie zelf. De 'burger' stelt zich niet alleen vragen over de intrinsieke voedselveiligheid en ecologische risico's maar hij staat o.a. erg kritisch tegenover de machtsposities van de technologieleveranciers ( zie: "Reflecties over biotechnologie in landbouw en voeding" - debat georganiseerd door VIB, juni 2001). Wij verwachten dat op termijn, de echt maatschappelijk nuttige toepassingen van de biotechnologie zullen kunnen doorbreken en zowel de economische als de ecologische efficiëntie zullen verbeteren. Uiteraard zijn deze hierboven beschreven trends zelf onderhevig aan evolutie.

Toekomstperspectieven voor de Vlaamse Land-en Tuinbouw

De strategische positie van land- en tuinbouw

Het gunstig zeeklimaat en het overvloedige aanbod aan vruchtbare gronden maken van Vlaanderen een gebied dat uitermate geschikt is voor bepaalde vormen van akkerbouw, veeteelt en de productie van de meeste tuinbouwproducten. Onze behoorlijk lange groeiseizoenen met niet te koude winters en geen te droge zomers zijn ideaal voor gewassen waarvan we de vegetatieve delen oogsten (groenvoeders, veel groentegewassen). Bovendien is hier een grote kennis, ervaring en infrastructuur aanwezig om de verschillende productieprocessen goed te beheersen (men kan zich ook afvragen of het ethisch verantwoord zou zijn om deze voordelen links te laten liggen).  Daarbij komt dat Vlaanderen een gebied is middenin een grote en rijke consumentenmarkt. Een stabiele, betaalbare voedselvoorziening is sinds mensenheugenis het hoofddoel van iedere landbouwpolitiek. Landbouwproducten kunnen daarom als strategische goederen beschouwd worden. Voedsel kan hierbij op hetzelfde niveau geplaatst worden als water en energie. Politiek-strategisch wordt de afhankelijkheid van het buitenland voor strategische goederen zoveel mogelijk vermeden. Men kan vaststellen dat deze benadering zelfs nog steeds leeft binnen de zeer stabiele context van de Europese Unie. Trouwens, het is binnen de Europese context te verdedigen om ook wat voedselproductie betreft aan voldoende risicospreiding te doen (cfr. de recente mond- en klauwzeer uitbraken).

Mogelijke oriëntaties van de Vlaamse land- en tuinbouw

Door gebruik te maken van de geografische, structurele en kennisvoordelen, moet het mogelijk zijn om productieprocessen nog verder te optimaliseren (zowel economisch als ecologisch) wat de concurrentiepositie ten goede komt. Voorwaarde is een goede opleiding en een modern denk- en handelingskader van de bedrijfsleiders. Creatieve initiatieven kunnen profiteren van de trend naar diversiteit en de gedifferentieerde vraag van koopkrachtige consumenten: er liggen kansen voor productdifferentiatie, producten met hoge toegevoegde waarde en de ontwikkeling van nichemarkten. Inkomsten hieruit kunnen opnieuw geïnvesteerd worden in duurzame toepassingen, waardoor een positief imago geschapen wordt en de vernieuwing kan doorgaan. Voor de consument blijft de veiligheid van het product zorg nummer één, hij stelt daarom ook vragen en eisen omtrent de productiewijze en de productieomgeving.  De biologische landbouw is één van de vormen van landbouw die bij uitstek voldoet aan de maatschappelijke verzuchtingen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en biodiversiteit. Deze sector kan een voortrekkersrol vervullen op de weg naar een duurzame landbouw, daarin gesteund door de groeiende vraag naar biologische producten bij de consument. De coördinatie tussen de verschillende schakels in de verschillende waardeketens zal nog toenemen, door het afsluiten van contracten of zelfs verticale integratie. Een strikt gecoördineerde keten kan immers sneller inspelen op de wensen van de vraag, beter nieuwe technieken en kwaliteitssystemen implementeren en beter de concurrentie aangaan met het buitenland via kostenbewaking en efficiëntie. Tevens zal er een evolutie ontstaan naar kortere ketens waarbij er een directer contact tussen producent en consument zal tot stand gebracht worden. (thuisverkoop, voedselteams, enz.) In Vlaanderen is er toenemende aandacht voor publieke goederen zoals landschap, natuur, water, e.a. Potentieel liggen hier kansen voor een extra diversificatie van en in de landbouw.  Zulke diversificatie kan meehelpen de evolutie van de Vlaamse land- en tuinbouw in een duurzame richting te sturen. Een belangrijke vraag hierbij is wel of die toenemende aandacht kan en zal vertaald worden in financiële transfers naar de landbouw. Wat het beheer van natuur en landschap betreft, blijft de loutere overheidsbeloning een onzeker gegeven. Er is onderzoek nodig naar mogelijkheden om de markt in dit domein meer te laten spelen. Functieverbreding uit zich ook in nieuwe activiteiten die vroeger helemaal afwezig waren op landbouwbedrijven, zoals hoevetoerisme, natuurbeheer, landbouweducatie, zorgfuncties, enz. Of deze functies succesvol worden hangt af van de ruimtelijke ligging, de wil en de competentie van de bedrijfsleiders. Een grote verscheidenheid in productietakken en -methoden is een voordeel.

Het kernvraagstuk

Het kernprobleem waarmee het Europese landbouwmodel (relatief kleine veelal familiale bedrijven) geconfronteerd wordt, is eigenlijk als volgt te formuleren: Hoe ervoor zorgen dat in een toenemende concurrentiele omgeving de extra inspanningen die land- en tuinbouwers leveren op het vlak van leefmilieu, volksgezondheid, dierenwelzijn worden gehonoreerd zodat hun economische bedrijfszekerheid niet in het gedrang komt? Of nog... Hoe de paradox wegwerken van een samenleving die langs de ene kant via politiek, media, opiniemakers, enz. pleit voor een duurzame landbouw, maar er langs de andere kant als consument nog onvoldoende toe bereid is er voor te betalen ( hierbij wijzen we nog eens op het feit dat de consument een vrij lage kostprijs van geproduceerd voedsel gewend is, omdat een deel van de kosten die met de productie gepaard gaan niet in de prijs begrepen is). Deze tweeslachtigheid is een belangrijke rem om de landbouw verder te oriënteren naar een duurzamere richting. Om hieraan te verhelpen kan men zowel langs vraagzijde als langs de aanbodzijde acties ondernemen om het productieproces maar evenzeer het consumentengedrag te verduurzamen. Enerzijds kan men via regelgeving opleggen dat productieprocessen en -methoden duurzamer moeten worden. Via sensibilisering, demonstraties, vorming en andere overheidsondersteuning (beheersovereenkomsten, voorbeeldbedrijven, enz.) kan men duurzame landbouw aanmoedigen en stimuleren op bedrijfsniveau. Positieve maatregelen werken altijd beter dan bestraffende! Anderzijds moet men de consument overtuigen dat duurzaam produceren een prijs heeft en dat het vrij hypocriet is de hoogste eisen te stellen aan kwaliteit, voedselveiligheid, respect voor de productieomgeving, enz., als men niet bereid is daarvoor een eerlijke prijs te betalen. Om dit doel te bereiken is veel sensibilisering nodig. Ook stimulerende maatregelen kunnen helpen: men zou bv. ecobonussen kunnen invoeren om zo de vraag naar duurzaam voedsel aan te zwengelen. Het integreren van nieuwe maatschappelijke eisen werkt kostprijsverhogend waardoor de concurrentiepositie van land- en tuinbouw verzwakt. De grote uitdaging is deze nieuwe eisen omzetten in toegevoegde waarden op een manier dat ze  worden vertaald in de marktprijs. Wanneer dit niet goed lukt, zijn overheidsinitiatieven nodig om de maatschappelijke eisen mogelijk te maken.

Toekomstvisie voor de Vlaamse Land-en Tuinbouw

Er is geen ontkomen aan: om te overleven moet de land- en tuinbouw werken binnen een maatschappelijk aanvaard draagvlak. Op vraag van de samenleving boert de Vlaamse landbouwer straks in een omgeving waarbij duurzaamheid vooropstaat. Dit betekent dat hij op zoek moet gaan naar een evenwicht tussen de economische, de ecologische en de sociale factoren van zijn productieproces, binnen de grenzen van bestaande regelgeving. Bovendien zien we deze regelgeving een dynamisch leven leiden waarbij de eisen naar voedselkwaliteit, basismilieukwaliteit, dierenwelzijn, mee variëren met de bestaande kennis en maatschappelijke trends: men kan zich verwachten aan steeds nieuwe vragen en eisen.  Het is te verwachten dat een welvarend dichtbevolkt gebied zoals Vlaanderen bij de koplopers zal zijn om b.v. normen voor basismilieukwaliteit steeds verder uit te bouwen. Hierdoor stijgt onze kostprijs wellicht sneller dan elders, wat concurreren op de wereldmarkt bemoeilijkt, waardoor de hierboven gestelde kernvraag weer opduikt: 'wil onze samenleving een duurzaam productieproces honoreren, en zo ja, hoe?' Op korte termijn is het wellicht utopisch ervan uit te gaan dat de wereld ons model zal navolgen, waardoor we competitief blijven achterlopen. Vanuit zo'n visie is het verdedigbaar dat men zich voornamelijk richt op de lokale markt met specifieke en kwalitatief sterke producten die met de wereldproducten wedijveren op een ander niveau dan het prijsniveau. En/ of dat men zich richt op verbreding met de steun van de hele maatschappij. Op langere termijn echter, kan het vóórlopen in duurzaamheid een sterk punt worden.

Twee wegen richting duurzaamheid

Wij zien algemeen twee manieren om in een duurzame richting te evolueren. Duurzaamheid door samenwerking: zeer kapitaalsintensieve bedrijven en bedrijven die weinig grondgebonden zijn en die duurzaamheid nastreven met technologische of exogene oplossingen zijn hierop aangewezen. Het is in deze gevallen vaak zeer moeilijk om op een individueel bedrijf volledig duurzaam te werken: op grondloze bedrijven komt men in de knel met de ecologische duurzaamheid, op grote akkerbouwbedrijven wringt het economisch schoentje en wellicht overal blijft de sociale druk toenemen. Allerlei samenwerkingsverbanden kunnen hier een uitkomst bieden. Deze samenwerking kan erg lokaal zijn, maar kan ook op lange afstand. Veebedrijven en akkerbouwbedrijven kunnen mekaar helpen (de zogenaamde koppelbedrijven, met als clichévoorbeeld mest voor graan: de akkerbouwer produceert graan voor een veeboer en de veeboer vindt bij de akkerbouwer een afzet voor mest).

Bedrijven met een zelfde productietak kunnen zich groeperen en coöperatief schaalvoordelen puren uit georganiseerde aankoop en afzet. Bedrijven met gelijklopende visies kunnen zich toeleggen op het produceren van een hoog kwalitatief product en door hun samenwerking een voldoende grote marktpenetratie bewerkstelligen. Grondloze veeteelt kan uitwijken naar regio's waar meer mogelijkheden zijn voor mestafzet en toch blijven profiteren van onze eigen kennis, ervaring en infrastructuur voor afzet en verwerking. De zorg voor kwaliteit en voedselveiligheid (IKB, traceerbaarheid, enz.) zullen in de toekomst nog meer dan vandaag al het geval is, een belangrijke drijfveer worden om bedrijven meer in ketenverband te doen samenwerken. Bovendien schakelen zij zich op die manier op een actieve of passieve manier in, in waardeketens. Duurzaamheid op bedrijfsniveau: dit is de weg voor eerder arbeidsintensieve bedrijven die duurzaamheid nastreven met systeemecologische of endogene oplossingen en die grondgebonden zijn. Hier wordt wel gestreefd naar complete duurzaamheid op bedrijfsniveau. Maar om competitief te blijven zal het wellicht noodzakelijk zijn om aanvullende bedrijfsactiviteiten te organiseren.  Deze activiteiten kunnen zich zowel binnen als buiten de sfeer van  landbouwactiviteiten bevinden. Wij zien dit gebeuren op akker- en tuinbouwbedrijven, gemengde bedrijven en extensievere veehouderijen. Het spreekt vanzelf dat er naast de twee geschetste typische evoluties in principe diverse tussenvormen mogelijk zijn b.v. door combinatie van elementen uit de twee geschetste typologieën

Gebiedsgerichte gevolgen

Er zal zich een herlocalisering van deelsectoren opdringen.  De algemene verwachting is dat het doorrekenen van milieukosten zal leiden tot het verlies van competitiviteit van enkele  intensieve sectoren. Het is te verwachten dat de veevoederindustrie en de intensieve veeteelt deels zullen verhuizen  naar gebieden waar veel grond aanwezig is. 'Kleine' akkerbouwbedrijven zullen wellicht internationaal onvoldoende rendabel blijven. Anderzijds zullen duurzame grondgebonden sectoren zich gaan vestigen op die plaatsen waar een duurzame grondgebondenheid mogelijk en ook wenselijk is. Het is daarom te verwachten dat in de toekomst de intensiefste producties zullen plaatsvinden in regio's met de grootste ecologische draagkracht en dat men op kwetsbare gronden of in landschappelijk waardevolle gebieden extensiever zal moeten werken. We verwachten dat vruchtafwisseling om ecologische redenen weer belangrijker wordt, waardoor te enge specialisaties moeilijk houdbaar blijven: gemengde bedrijven of veeleer gemengde bedrijfsverbanden nemen toe ( de vormen van gemengd zijn kunnen zeer uiteenlopend zijn: op het bedrijf, tussen naburige bedrijven, in los - jaarlijks wisselend - verband, bvb. uitwisseling van gronden, seizoenspacht,., of in meer gestructureerde verbanden. Een en ander heeft als gevolg dat, al zijn ze niet rendabel, bepaalde akkerbouwgewassen zullen blijven, al was het maar om een goede vruchtopvolging te kunnen verzekeren. Dit betekent ook dat men voldoende grond ter beschikking van de landbouw moet houden!).  In gebieden met een goede ecologische draagkracht, moeten op lange termijn goede faciliteiten worden geschapen om op een duurzame wijze aan landbouw te doen: technische vernieuwingen zullen hier zeer belangrijk worden. In bijlage volgt een summier perspectief voor een aantal deelsectoren, met geen ander doel dan het debat los te maken.

Implicaties voor het beleid

De overheid moet in haar beleid en handelen de drie pijlers van duurzaamheid steeds tegelijk in ogenschouw nemen. Vooreerst dient de overheid een coherent beleid te ontwikkelen dat zorgt voor de basismilieukwaliteit, door het bestraffen van vervuiling en het belonen van milieuvriendelijk gedrag. Hiertoe moet men duurzaamheidindicatoren ontwikkelen die toelaten de ecologische, economische en sociale duurzaamheid van productiemethoden te meten en te evalueren zodat men effectief de duurzaamste systemen kan belonen en omgekeerd, wat niet aanvaardbaar is, kan penaliseren. De overheid dient  op korte termijn een beleid te voeren om de twee geschetste ontwikkelingen 'tot meer duurzaamheid' optimaal te ondersteunen: zowel de kapitaalsintensieve als de arbeidsintensieve en grondgebonden bedrijven vergen een specifiek beleid. Tegelijkertijd moet het beleid spontane, coöperatieve oplossingen en innovatieve duurzame projecten stimuleren. Een belangrijke voorwaarde om duurzame landbouw op vooral eerder kleine bedrijven mogelijk te maken is het ontwikkelen van een coherent juridisch kader dat de verschillende meerwaardestrategieën mogelijk maakt en de nodige rechtszekerheid biedt. Wet- en regelgeving zijn immers van grote invloed op het innovatieve vermogen van de bedrijven en momenteel spijtig genoeg in remmende zin. Er kan eventueel een systeem ontwikkeld worden van voorwaardelijke vergunningen. Deze procedure moet uiteraard zo opgevat worden dat via objectieve duurzaamheidindicatoren inderdaad een duurzaamheidkarakter gekoppeld aan deze voorwaardelijke vergunning wordt beoogd. Op zeer korte termijn zullen relatief veel bedrijven verdwijnen. De gronden en overige productiemiddelen die op deze wijze vrijkomen zullen ingenomen worden door de tot op heden minst duurzaam werkende producenten aangezien zij het zijn die voor dergelijke overnames de meeste mogelijkheden hebben gerealiseerd. Bepaalde denkpistes zoals het ontwikkelen van  ethische grondbeleggingsfondsen, een duurzame grondbank of een aanpassing in de pachtwetgeving, waarbij duurzame grondgebruikers voorrang krijgen, kunnen in overweging worden genomen. Door een coherent grondbeleid kan men de groei en grondgebondenheid van individueel duurzaam werkende bedrijven blijvend stimuleren. Er moet een coherent kennisbeleid ontwikkeld worden onder andere door het onderwijs, de voorlichting en het wetenschappelijk en praktijkgericht onderzoek te stimuleren en te hervormen in de richting van duurzaamheid. Een debat over duurzame landbouw heeft weinig zin zonder het debat te openen over duurzaamheid in gans het maatschappelijk gebeuren. Het onderwijs heeft hier een belangrijke rol: we kunnen rustig stellen dat de doorgedreven individualisering in onze maatschappij vaak contraduurzaamheid werkt. Er is dringend een verandering van attitude nodig: wie zelf niet geeft om duurzaamheid, kan weinig aanspraak maken op duurzaamheid bij van anderen! Het is niet correct om alleen de landbouw te responsabiliseren voor een aantal problemen inherent aan de landbouw. Net zoals men mag verwachten dat wie kritiek heeft, beter helpt meewerken aan constructieve alternatieven. Binnen de landbouw is een belangrijke rol weggelegd voor de vakorganisaties die tot voor kort uit een defensieve reflex slechts schoorvoetend meegingen met duurzame ontwikkelingen. De jongste tijd zijn echter een aantal initiatieven genomen die erop wijzen dat ook de vakorganisaties meegaan met het wijzigend maatschappelijk draagvlak waarmee de landbouw wordt geconfronteerd. Men moet bedrijven die nog willen investeren in de land- en tuinbouw correct informeren omtrent de haalbaarheid van hun toekomstplannen. De voorlichting dient op die wijze de kandidaat overnemers te begeleiden in een duurzame richting waarbij creativiteit een belangrijk hulpmiddel wordt. Ook het landbouwonderwijs (en dit geldt voor de verschillende opleidingsniveaus)  is een zeer belangrijke schakel voor het introduceren van duurzame technieken bij de nieuwe generatie land- en tuinbouwers en voor éénieder die in deze sector zal terecht komen. Ook het landbouwonderwijs zal zijn werkveld moeten verruimen, vernieuwen en verbreden. Net zoals in omringende landen, krijgt het landbouwkundig onderzoek het moeilijk. Duurzaamheid is de grote prioriteit, wat in werkelijkheid vaak betekent dat men inputs en verliezen tracht te beperken. Het beperken van verliezen roept op korte termijn een hele reeks controlemechanismen in het leven die veel geld kosten. Laboratoria worden ingericht om steeds meer analyses te verrichten die vaak niet verder gaan dan vaststellen van diagnoses. Op die manier is er minder ruimte voor creatief preventief onderzoek gericht op het voorkomen van problemen.  Ook het praktijkgericht onderzoek is niet steeds pro-actief. Vooral niet wanneer het gefinancierd wordt door direct belanghebbenden die oplossingen willen voor dagelijkse problemen. Langdurig onderzoek bestaat minder en minder en toch is het precies zo'n onderzoek waar grote nood aan is, waar antwoorden kunnen gevonden worden om land- en tuinbouw in een duurzamere richting te heroriënteren.

Bijlage: Beperkte toets aan duurzaamheidscriteria per deelsector

Akkerbouw

De code goede landbouwpraktijken geeft een aantal tips en technieken hoe de moderne akkerbouwer moet omgaan met nutriënten en bestrijdingsmiddelen. De vraag die gesteld moet worden is in welke mate, gezien de hoge grondprijs en de relatief hoge input aan chemische stoffen zoals meststoffen en bestrijdingsmiddelen, de gangbare productie van  akkerbouwgewassen in Vlaanderen op dit moment een voldoende duurzaam proces is? Om duurzamer te werken kan er voor de overheid een belangrijke rol weggelegd zijn om via sensibiliseringsacties de akkerbouwers te stimuleren om een ruimere vruchtwisseling toe te passen en via differentiatie op zoek te gaan naar producten en productiemethodes die een hogere toegevoegde waarde toelaten. Teelttechnisch onderzoek, en in een later stadium demonstraties, moeten hier het voortouw nemen, maar evenzeer markteconomisch onderzoek: in het verleden heeft men al meermalen 'het nieuwe gewas gevonden', maar het kwam nooit van de grond doordat de markt niet meewilde of niet meekon. De erosiebestrijding zal in toenemende mate aandacht moeten krijgen in de akkerbouw. Samenwerkingsverbanden inzake grondgebruik (zie hoger) worden wellicht noodzakelijk.

Varkens- en kippenhouderij

Een ernstige inkrimping van het aantal dieren lijkt in Vlaanderen onafwendbaar maar wij blijven omwille van ons kenniscentrum een goede toekomst zien voor een afgeslankte sector. Middelgrote bedrijven die goed gestructureerd zijn en (in de varkenssector) georganiseerd zijn als een zelfstandig gesloten bedrijf of werken binnen een gesloten kring, hebben een toekomst mits er nog een aantal extra inspanningen worden geleverd op het vlak van traceerbaarheid en kwaliteit. Schaalvergroting zal wellicht nog enkel mogelijk zijn in kringverband (toename aantal productie-eenheden per bedrijf maar geen groei per productie-eenheid). Voor de kleinere (eerder grondgebonden) bedrijven zijn er enkel mogelijkheden via diversificatie of via reconversie naar de biologische varkenshouderij.

Fruitteelt

De hedendaagse fruitteelt krijgt het nogal zwaar te verduren. Er is niet alleen een economisch aanhoudend probleem, de teelt scoort ondanks de vele pogingen om mileubewuste en geïntegreerde productie van de grond te krijgen ecologisch vrij zwak. Intensief onderzoek heeft niet kunnen verhinderen dat veel bespuitingen nodig blijven om b.v. schimmelaantastingen de baas te blijven. Dit heeft vooral te maken met het snel muteren van de schimmels waardoor nieuwe technieken en methoden nooit lang zeer succesvol standhouden . Bovendien gaat de veredeling van fruitgewassen erg langzaam omdat het zo moeilijk is veel gewenste eigenschappen te combineren ( hiermee vertoont de fruitteelt veel gelijkenissen met de aardappelteelt). Men moet de onderzoeksinspanningen blijven verder zetten. Ook de teelt van kleinfruit kan  ecologisch beter. Een kleinschalige teelt van kleinfruit is interessant in bijberoep en kan diversificatie via thuisverkoop (voornamelijk verse markt) bewerkstelligen. Door een gepaste rassenkeuze en door het toepassen van beschutte teeltsystemen is de oorspronkelijk zeer seizoensgebonden teelt over een langere periode haalbaar. In serres en tunnels zijn de teeltomstandigheden beter controleerbaar wat vaak leidt tot een 'schonere' productie.

Rundveehouderij

De melkveehouderij scoort als sector ecologisch vrij goed, mits een gecontroleerde bemesting van grasland en voedergewassen. Ook economisch is de melkveehouderij één van de betere sectoren binnen de Vlaamse land- en tuinbouw. Een uitdaging voor de toekomst is zeker  het anticiperen op het eventueel verdwijnen van de melkquotareglementering en de prijsondersteuning. Sommige grote bedrijven, die vandaag reeds duurzaam en milieuvriendelijk produceren, kunnen produceren en wedijveren  aan wereldmarktprijzen. Kleinere bedrijven kunnen en moeten een meerwaarde genereren op hun bedrijf door diversificatie (thuisverkoop en -verwerking, hoevetoerisme, agrarisch natuurbeheer, .). Het verduurzamen van deze deelsector bestaat uit onder andere het optimaliseren van de eigen voederwinning en zorgen voor de kwaliteit van de open ruimten. Koeien in de weide oefenen een positief effect uit op onze landschapsbeleving. Men zou een politiek kunnen voeren om op de landbouwkundig waardevolste gronden aan melkveehouderij te doen ten koste van economisch minder renderende sectoren. De vetmesterijsector kan in zijn gangbare uitbatingsvorm vermoedelijk niet concurreren tegenover de wereldmarktprijs. Wel kan biologische rundveehouderij extra gestimuleerd worden. De overstap is niet zo groot voor bedrijven die over voldoende grond beschikken. Thuiscommercialisatie is eveneens voor deze subsector een mogelijkheid. Door de voederproductie zoveel mogelijk op het eigen bedrijf te organiseren kan men duurzaam vlees produceren, wat een meerwaarde genereert.

Grove groenteteelt

De grove groenteteelt heeft ernstige ecologische problemen, zowel op het vlak van nutriënten als pesticiden. Bovendien zijn er voor bepaalde arbeidsintensieve teelten sociale problemen. Tijdens de  onvermijdelijke arbeidspieken wordt veel familie- en burenarbeid ingeschakeld. Doordat van heel wat teelten het productieseizoen steeds langer wordt (jaarrondteelten), stijgt de nood aan arbeid tijdens de vele piekmomenten. Omdat er weinig mensen bereid zijn de vaak fysisch lastige arbeid te leveren, neemt de sociale druk op gezinsleden toe wat niet altijd verdedigbaar is.  Op lange termijn zijn elementen als thuiscommercialisatie, teeltdifferentiatie, nevenberoep, duurzame of biologische productie, initiatieven die ondersteund moeten worden.

Glastuinbouw (eetbare tuinbouwproducten)

Omwille van het gesloten systeem van glastuinbouwteelten scoort deze sector  ecologisch gezien goed vooral in de gevallen waar een recirculatiesysteem aanwezig is en er alleen gekende emissies naar de buitenwereld plaatsvinden. Landschappelijk is er zichtbaar een probleem, serres verstoren veelal de landschapsbeleving. Via een correcte  ruimtelijke ordeningspolitiek moeten voldoende gebieden worden voorzien waar glastuinbouwteelten gegroepeerd kunnen voorkomen

 

PDF-document Discussietekst (PDF-document)
Word-document Discussietekst (Word-document)

 

Download Acrobat Reader om PDF-documenten te bekijken: Adobe Reader