U bent hier: Vlaanderen.be Landbouw en Visserij Duurzame landbouw


punt

Duurzame landbouw

Nuttige tips bij de teelt van grasklaver

Op deze pagina:

Grondsoort en perceelskeuze:

Het perceel waar gras/witte klaver geteeld wordt moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • grasklaver gedijt op verschillende grondsoorten
  • goede bodemstructuur
  • eist een goede ontwatering
  • pH minimaal 4,5, optimaal 5,5
  • goede fosfaat en kalitoestand

Gras met witte klaver houdt niet van langdurige droogte

Zaaien:

Voor grasklaverbestanden gaat men witte klaver meestal met Engels raaigras mengen. Grasklavermengsels bevatten 3 tot 5g klaver per ha wat neerkomt op 10 gewichts% van het mengsel. In tegenstelling tot rode klaver vormt witte klaver uitlopers en kan het zich gemakkelijker verspreiden over een perceel. In de handel zijn er mengsels van grassen en klavers beschikbaar, maar men kan ook het gras- en klaverzaad apart aankopen. Dit verruimt de keuze en laat ook toe om klaver en gras op hun ideale diepte in te zaaien (Engels raaigras 2 cm en witte klaver <1 cm). Er bestaan verschillende types witte klaver, maar voor maaibeheer komen het type cultuurklaver en vooral het grootbladige type in aanmerking. Gebruik rassen die op de Belgische of Nederlandse beschrijvende en aanbevelende rassenlijst staan ingeschreven.

Enten van het zaaizaai is overbodig omdat de bij witte klaver passende Rhizobium bacteriën in de Vlaamse gronden aanwezig zijn.

Het zaaibed moet effen en fijn liggen en goed aangedrukt zijn zoals het voor grasland gebruikelijk is. Het mengsel gras/klaver wordt iets ondieper (1 cm) ingezaaid dan een gewoon grasmengsel. Bij het zaaien moet wel regelmatig geroerd worden om ontmenging van de zaden te voorkomen en een gelijkmatige verdeling van het klaverzaad over het perceel te verzekeren.

Grasklaver kan vanaf april gezaaid worden tot begin september. Zaaien na 1 september verlaagt de slagingskansen: de opkomst is lager en de ontwikkeling is soms onvoldoende om de concurrentie met het gras en de winter te doorstaan.

Bemesting:

Een voldoende hoge pH is nodig voor een hoge N- fixatie door de Rhizobium bacteriën. De basisbemesting voor grasklaver is gelijkaardig aan gewone graslanden in maaibeheer en houdt rekening met de bodemvoorraad en met de grote afvoer van mineralen. De fosfaat- en kalibemesting worden het best over de sneden verdeeld. Een normale dosis mengmest

(25 m³) kan worden gebruikt in het voorjaar en na de eerste snede. Hogere dosissen en latere toepassingen zullen het klaveraandeel terugdringen omwille van de N-aanbreng. Wil men optimaal van het klavereffect gebruik maken dan wordt na 1 juli niet meer met N bemest.

Onkruidbestrijding:

Door het jonge grasklavergewas te toppen (= ondiep maaien) kan men heel wat breedbladige onkruiden vernietigen. De mogelijkheden van chemische onkruidbestrijding zijn beperkt omdat er weinig middelen beschikbaar zijn die de klaver sparen. Het best raadpleegt u daarvoor uw leverancier.

Ziekten en plagen:

Ziekten en plagen die kunnen voorkomen zijn klaverkanker, klavercystenaaltje, naaktslakken en de bladrandkever. Een goede vruchtafwisseling en een juiste rassenkeuze bieden de beste bescherming tegen ziekten en plagen. Hiervoor wordt verwezen naar de Belgische en Nederlandse beschrijvende en aanbevelende rassenlijsten.

Uitbating:

In vergelijking met grasland zonder klaver wordt geadviseerd om lichtere sneden te maaien. Dit bevordert de ontwikkeling en het aandeel van de klaver.

Het gewas kan best gemaaid worden met een maaier / kneuzer, waarna het, indien nodig, meteen opengespreid wordt. Aangezien de blaadjes snel drogen en afbreken wordt best zo weinig mogelijk geschud. Voordrogen tot 35-40% droge stof volstaat. Verder voordrogen verhoogt de veldverliezen (vnl klaverblaadjes) aanzienlijk. Hakselen is ideaal.

Bij goede omstandigheden zijn een 5-tal sneden per jaar haalbaar waarbij in totaalopbrengsten gehaald worden die in dezelfde grootteorde liggen als gras in zuiver maaibeheer (10 à 15 ton DS/ha/jaar).

Voederwaarde en rantsoenering:

In vergelijking met rode klaver heeft witte klaver veel meer blad, waardoor het eiwitgehalte, de verteerbaarheid en de VEM- en DVE-waarden duidelijk hoger zijn. Tegenover gras zijn de verschillen niet groot, maar neigen in het voordeel van witte klaver. Het celstofgehalte van witte klaver is lager, waardoor de verteerbaarheid en de VEM-waarde iets hoger zijn. Witte klaver heeft een licht hogere DVE- en/of OEB-waarde dan gras. Door het hoger eiwit- en asgehalte en het lager suikergehalte is klaver wat moeilijker inkuilbaar. Wanneer echter kan voorgedroogd worden, stelt de bewaring geen problemen.

Witte klaver heeft een hogere opneembaarheid bij melkvee dan puur gras, vermoedelijk als gevolg van de hogere verteringssnelheid. Men mag aannemen dat melkvee van gras-witte klaver circa 0,5 tot 1,0 kg droge stof meer opneemt dan van puur gras. Maïskuilbijvoedering vergroot blijkbaar het effect van klaver.

De hogere opname heeft voor gevolg dat er meer ruwvoedermelk kan voortgebracht worden, en er dus krachtvoeder kan bespaard worden en/of meer melk kan geproduceerd worden.

Witte klaver heeft geen specifieke invloed op het melkvet- en melkeiwitgehalte.

Bij hoge klaveraandelen in de weide (meer dan 50 %) wordt de klaver blijkbaar minder gelust, kan het eiwit minder goed benut worden en ontstaat er een risico op tympanie.

In die omstandigheden is het dan ook wenselijk de maïskuilbijvoedering wat te verhogen en deze over 2 beurten per dag te spreiden.

Meer informatie?

 

Laatste update: 2005